Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Priemsnavelhoningeter
Priemsnavelhoningeter | Meliphaga gracilis
Graceful Honeyeater | Mielero grácil
De priemsnavelhoningeter is de kleinste en de fijnst gesnavelde van de bruine Meliphaga-honingeters en de enige die ook buiten Australië voorkomt: zijn areaal loopt van zuidelijk Nieuw-Guinea en de Aru-eilanden over de Torresstraat naar het noorden van Kaap York. Tot 2021 gold hij samen met de cryptische honingeter als één soort; sinds die twee gescheiden zijn, is hij op Australisch grondgebied een noordelijke Kaap York-vogel geworden. Anders dan zijn zwijgzame tegenhanger is hij bovendien een opvallend spraakzame soort.
Geluid
Een rijk repertoire: er zijn wel twaalf verschillende geluiden onderscheiden, waaronder een echte zang — opmerkelijk, omdat de cryptische honingeter in het zuiden maar twee eenvoudige roepjes kent en niet zingt. Het verschil is zo groot dat het de voornaamste grond voor de afsplitsing vormde: in proeven reageren de twee vormen niet op elkaars geluid. Daarnaast een scherp, hoog contactnootje dat in het gebladerte de aanwezigheid verraadt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Veertien tot zeventien centimeter: een kleine, slanke honingeter met een grijsbruine kop en een opvallend dunne, iets neerwaarts gebogen donkergrijze snavel — het kenmerk waaraan hij zijn Nederlandse naam dankt. De oorvlek is bleekgeel en rond, zonder uitloper. Van onderen is hij lichtgrijsbruin, van boven donkerder grijsbruin, met een vuilwitte buik en onderstaartdek. De mondhoek is oranjegeel en de iris donkerbruin. Man en vrouw zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De cryptische honingeter (Meliphaga imitatrix) is het grote probleem, want tot 2021 waren beide één soort en het verschil is uiterst subtiel: die vogel is donkerder en meer olijfgroen met egalere onderdelen, heeft een oorvlek die achter in een vage gele uitloper doorloopt, een dofgele mondhoek en een marineblauwe iris, waar deze soort geler oogt met een blekere buik, een zuiver ronde oorvlek, een oranjegele mondhoek en een donkerbruine iris. Op afstand en in tegenlicht is daar niets van af te lezen. Wat wel werkt is de kaart: tussen beide areaalgrenzen op Kaap York ligt een gat van ongeveer honderdveertig kilometer zonder overgangsvormen. De torreshoningeter (Meliphaga notata), waarmee hij op Kaap York wel samen voorkomt, is groter en donkerder met een ovale oorvlek, en roept een luide herhaalde fluittoon; de geeloorhoningeter (Meliphaga lewinii) is fors, heeft een halvemaanvormige oorvlek en ratelt als een machinegeweer.
Leefgebied
Vochtig tropisch laaglandbos: regenwoud en de randen ervan, moessonbos en vine thicket, mangrovebos en melaleucamoerasbos langs de kust en de vloedvlakten. Hij houdt zich in de midden- en onderlaag op, waar hij nectar van onder meer bloeiende Grevillea drinkt en vruchten en insecten neemt. Hij is territoriaal en wordt meestal alleen of in paren gezien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Zuidelijk Nieuw-Guinea met inbegrip van de Aru-eilanden, de westelijke eilanden in de Torresstraat, en in Australië het oostelijke en noordelijke deel van Kaap York in Noord-Queensland. De typelocatie is Kaap York. Standvogel met kleine verplaatsingen achter de bloei aan. Binnen deze gids is hij daarmee een soort van uitsluitend de uiterste noordpunt van het continent.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Gebruik de kaart als eerste filter en de stem als tweede. Op noordelijk Kaap York is een kleine, dunsnavelige Meliphaga deze soort; ten zuiden van het gat is het de cryptische honingeter. Een kleine Meliphaga die zingt of een gevarieerd repertoire laat horen, is vrijwel zeker deze vogel. Let ten slotte op de snavel: van alle zes is die hier het dunst en het sterkst gebogen, al vraagt dat wel een vogel in de kijker op korte afstand.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; het areaal is groot, ligt voor een belangrijk deel in dunbevolkt gebied op Kaap York en Nieuw-Guinea, en de soort is binnen dat areaal algemeen. Wel geldt dat de Australische populatie na de afsplitsing van de cryptische honingeter kleiner is dan de oude cijfers suggereren, en dat alle tellingen van vóór 2021 beide soorten samennemen; een zelfstandige trend voor deze soort is daardoor nog niet vast te stellen.
Wetenschappelijke naam
Meliphaga gracilis | (Gould, 1866)
John Gould beschreef de vogel in 1866 als Ptilotis gracilis, naar materiaal van Kaap York; omdat de soort later in Meliphaga is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. gracilis is Latijn voor 'slank, sierlijk', naar de fijne bouw en de dunne snavel; de Engelse naam Graceful Honeyeater en de Spaanse naam volgen dat woord rechtstreeks, terwijl de Nederlandse naam het kenmerk zelf benoemt — de priemvormige snavel. Voor het geslacht Meliphaga, uit Grieks meli (honing) en phagos (etend), zie de geeloorhoningeter; de soort is tussen 2019 en 2025 ook in het geslacht Microptilotis gevoerd.



