Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Regenboogparkiet
Regenboogparkiet | Psephotellus varius
Mulga Parrot | Perico variado
De regenboogparkiet draagt zijn Nederlandse naam terecht: op één vogel zitten grasgroen, geel, rood, oranje en blauw naast elkaar, verdeeld in scherp begrensde vlakken. Het is de parkiet van het droge binnenland — mulga, mallee en saltbush — waar hij meestal in paren of met zijn tweeën of drieën van de grond opvliegt en met een snelle, licht golvende vlucht in de eerstvolgende struik verdwijnt.
Geluid
Opvallend stil voor een parkiet van dit formaat. De contactroep is een zacht, ijl fluitje dat drie- of viermaal wordt herhaald, tsjie-tsjie-tsjie, vaak bij het opvliegen; tussen foeragerende vogels klinkt niet meer dan een zacht, ingehouden gebabbel. Wie op geluid zoekt, loopt hem gemakkelijk voorbij.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke parkiet van ruim dertig centimeter met een lange, smalle staart. Het mannetje is helder grasgroen tot smaragdgroen, met een blauwe zweem op de nek en boven het oog en een bleekgroene borst; over het voorhoofd loopt een gele band, en op het achterhoofd zit een duidelijke rode vlek. De vleugeldekveren dragen een geel vlak, de buitenvlaggen van de handpennen zijn blauw, de onderbuik en de dijen zijn geel met oranjerood, en op de bovenstaartdekveren ligt een kleine, donkerrode vlek. De snavel is blauwgrijs met zwarte randen. Het vrouwtje is veel doffer: olijfbruine kop en borst, fletse gele voorhoofdsband en een fletse rode nekvlek, bleekgroene buik, soms wat rood op de schouder, en een bruingrijze snavel.
Verwarringssoorten
De verwarringssoort bij uitstek is de roodrugparkiet (Psephotus haematonotus), waarmee hij in het oostelijke binnenland samen voorkomt. Het mannetje van de roodrugparkiet mist zowel de gele voorhoofdsband als de rode nekvlek, is blauwgroen op de kop, heeft een geel in plaats van oranjerood gekleurde buik, en draagt een groot, fel scharlaken stuitvlak; bij de regenboogparkiet is dat rood klein, donker en lager geplaatst, met daarboven een lichtgroene band. De vrouwtjes zijn het lastigst: het vrouwtje van de regenboogparkiet heeft nog altijd een gele voorhoofdsband en een rode nekvlek, het vrouwtje van de roodrugparkiet is egaal olijfgroen zonder enig rood. De roodbuikparkiet (Northiella haematogaster) van dezelfde streken is olijfgrijs met een blauw gezicht en dus geen probleem, en de geelschouderparkiet (Psephotellus chrysopterygius) is turkoois en zit alleen op Cape York.
Leefgebied
Droog en halfdroog struweel en licht beboomd grasland: mulga en ander acaciastruweel, mallee, vlakten met saltbush en bluebush, callitris- en casuarinabosjes en de boomranden langs droge kreken. Hij broedt in boomholten, vaak laag in een dode stam, en foerageert op de grond op zaden van grassen, struiken en bomen, aangevuld met bloemen en vruchten. Het broedseizoen loopt in het zuiden van juli tot december, maar in het noorden van zijn areaal broedt hij gewoon na een goede regenbui, wanneer die ook valt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het binnenland van zuidelijk Australië, van centraal-zuidelijk Queensland en westelijk Nieuw-Zuid-Wales — met plaatsen als Collarenebri, West Wyalong en Griffith aan de oostrand — via noordwestelijk Victoria en vrijwel heel Zuid-Australië tot in West-Australië ten zuiden van ongeveer 23°ZB, inclusief de Wheatbelt en noordwaarts tot aan de rand van de Pilbara. Hij ontbreekt aan de vochtige oostkust, in Tasmanië, in Nieuw-Zeeland en op Norfolkeiland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in de vroege ochtend langzaam over een onverharde weg door mulga of mallee en let op de bermen: bijna elke waarneming begint met een paartje dat van de kale grond opvliegt en laag wegschiet. Zet je bij drie- of viermaal gehoord zacht gefluit schrap, want luid wordt hij nooit. Een veedrinkbak of een stuwdam in droog land is in de hitte van de dag de betrouwbaarste plek om hem te zien, en dan heb je ook de tijd om de gele voorhoofdsband en de rode nekvlek te bevestigen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in alle Australische staten waar hij voorkomt als veilig aangemerkt. Zijn areaal is enorm en ligt grotendeels in dunbevolkt binnenland, en van kunstmatige drinkplaatsen voor vee heeft hij eerder voordeel dan nadeel. Plaatselijk staat hij wel onder druk: in de graanstreken van West-Australië en Nieuw-Zuid-Wales is het struweel grootschalig geruimd, zware begrazing door schapen, geiten en konijnen haalt de zaaddragende kruidlaag weg, en oude holle bomen — zijn nestplaatsen — worden zeldzamer naarmate dood hout wordt opgeruimd. Omdat hij van de grond en uit bermen eet, komt hij bovendien geregeld onder het verkeer. Als volièrevogel wordt hij ruim gekweekt, zodat vangst in het wild nauwelijks nog een rol speelt.
Wetenschappelijke naam
Psephotellus varius | (Clark, 1910)
De naamgeschiedenis is ongewoon: de vogel werd al in de negentiende eeuw beschreven, maar de toen gebruikte naam bleek al vergeven, zodat de Amerikaanse zoöloog Austin Hobart Clark in 1910 de vervangende naam Psephotus varius invoerde. Mathews plaatste de soort in 1913 in Psephotellus, en daarom staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het Latijnse varius betekent 'bont, veelkleurig' en slaat op het mannetje — dezelfde gedachte als de Nederlandse gidsnaam regenboogparkiet en de Spaanse naam perico variado, terwijl de Engelse naam juist het mulgastruweel benoemt. De typelocatie is het Eyre-schiereiland in Zuid-Australië, naar een exemplaar dat Robert Brown daar verzamelde.



