Alle soortenPapegaaiachtigenHalsbandparkieten › Roodrugparkiet

Roodrugparkiet | Psephotus haematonotus

Red-rumped Parrot | Perico dorsirrojo

De roodrugparkiet is de parkiet die zuidoostelijk Australië het gemakkelijkst laat zien: een slanke, felgroene vogel die in paren of kleine groepjes in het gras van een berm, een sportveld of een parkgazon loopt te foerageren. Het mannetje draagt een blauwgroene kop en een klein, brandend scharlaken vlak op de stuit dat alleen bij het opvliegen te zien is — en alleen hij heeft het.

Roodrugparkiet (Psephotus haematonotus)
Foto: Richard Taylor from Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een vriendelijk, tweelettergrepig fluitje dat de soort meteen verraadt: soe-wiet-wiet, met een vragende, omhoog gaande klank, in de vlucht en vanaf een draad of paaltje herhaald. Een groepje in het gras houdt een zacht, aangenaam gekwetter aan, zonder de scherpe krijsende noten van veel andere parkieten. Het geheel klinkt opgewekt en gedempt — een van de meest muzikale stemmen onder de Australische parkieten.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een slanke parkiet van zesentwintig, zevenentwintig centimeter met een lange, smalle staart. Het mannetje is helder grasgroen, met een duidelijk blauwgroene kop en nek, geelgroene schouders die als een lichte vlek op de vleugel staan, een gele buik en onderstaartdekveren, en op de stuit een klein maar knalrood vlak dat bij het opvliegen als een vonk oplicht en bij een zittende vogel vaak onzichtbaar blijft. De snavel is donkergrijs. Het vrouwtje is fletser en effener: olijfgroen tot grijsgroen, met een groene — dus niet rode — stuit, een bleke ondervleugelstreep en een zwakke gele of lichtgroene schubtekening op de buik. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De regenboogparkiet (Psephotellus varius) is de soort waar het op aankomt; ze delen het binnenland van Nieuw-Zuid-Wales en Victoria. Het mannetje van de regenboogparkiet draagt een gele voorhoofdsband en een rode vlek op het achterhoofd — beide ontbreken bij de roodrugparkiet — en heeft een oranjerode in plaats van gele buik. Het rood op de achterzijde verschilt ook: bij de roodrugparkiet is het een fel scharlaken stuitvlak, bij de regenboogparkiet een kleiner, donkerder vlak dat lager zit, met daarboven een lichtgroene band. Vrouwtjes zijn het lastigst: het vrouwtje regenboogparkiet heeft nog altijd een fletse gele voorhoofdsband en rode nekvlek, terwijl het vrouwtje roodrugparkiet nergens rood draagt. De roodbuikparkiet (Northiella haematogaster) is groter en olijfgrijs met een blauw gezicht, en de zwaluwpapegaai (Lathamus discolor) is roodgezicht met rode ondervleugeldekveren en een veel snellere, sikkelvormige vlucht.

Leefgebied

Open, grazig eucalyptuswoodland en licht beboomde vlakten, en vooral de randen daarvan: rivierbossen met red gum langs kreken en rivieren, mallee-akkerland, weilanden met verspreide bomen, wegbermen, golfbanen, sportvelden en stadsparken. Hij is een van de weinige Australische parkieten die het in door de mens omgevormd landschap eerder beter dan slechter doet, zolang er open water en holle bomen in de buurt zijn. Hij foerageert vrijwel altijd lopend op de grond, op zaden en blad van grassen, en daarnaast in bomen op zaad, vrucht en bloem. Het paar blijft levenslang bij elkaar; het vrouwtje kiest en maakt de holte in een eucalyptus schoon, broedt eenentwintig dagen en de jongen vliegen na dertig dagen uit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Zuidoostelijk Australië: vrijwel heel Nieuw-Zuid-Wales — minder aan de kust — en heel Victoria, plus het zuidoosten van Zuid-Australië met de omgeving van Adelaide, en daarnaast een losse populatie in het noordoosten van Zuid-Australië en het zuidwesten van Queensland. In een aantal streken zijn de aantallen aangevuld door ontsnapte kooivogels. Hij komt niet voor in West-Australië, niet in Tasmanië, niet in Nieuw-Zeeland en niet op Norfolkeiland.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Je hoeft hem niet te zoeken maar alleen te laten komen: ga op een gazon met verspreide eucalyptussen zitten — een park in Adelaide of Melbourne, een golfbaan of een landelijke begraafplaats — en wacht tot een paartje lopend het gras af gaat. Bewaar het oordeel over de stuit tot de vogel opvliegt, want juist zittend blijft het rood verborgen. Het opgewekte soe-wiet-wiet is het betrouwbaarste kenmerk in het veld en onderscheidt hem al op geluid van de veel stillere regenboogparkiet.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en een van de weinige parkieten die van de omvorming van het landschap hebben geprofiteerd: het kappen van dicht bos tot open weiland en de aanleg van stuwdammen en drinkbakken hebben zijn leefgebied vergroot, en in stedelijk groen is hij een gewone broedvogel. Waar hij moeite heeft, gaat het om nestholten: oude bomen verdwijnen uit weiland en akkerland, en spreeuwen en treurmaina's bezetten de resterende holten. Verder eist het verkeer zijn tol doordat hij in bermen foerageert, en plaatselijk worden hele bermstroken met herbiciden kaal gehouden. Voor de volièrehandel wordt hij op grote schaal gekweekt, zodat vangst in het wild geen betekenis meer heeft.

Wetenschappelijke naam

Psephotus haematonotus | (Gould, 1838)

Gould beschreef de soort in 1838 als Platycercus haematonotus, naar materiaal uit Zuid-Australië; omdat ze daarna van geslacht wisselde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton komt van het Griekse haima 'bloed' en nōton 'rug' — 'bloedrug', naar het rode vlak op de stuit van het mannetje, en dat is ook de bron van de Nederlandse, Engelse en Spaanse gidsnaam. Het geslacht Psephotus werd in 1845 door Gould zelf ingevoerd, naar het Griekse psēphōtos 'ingelegd met steentjes, mozaïekwerk', voor het bonte verenkleed. Sinds de overige soorten naar Psephotellus zijn verhuisd, is de roodrugparkiet de enige soort die in Psephotus is overgebleven.