Alle soorten › Zangvogels › Pitta's › Regenboogpitta

Regenboogpitta | Pitta iris

Rainbow Pitta | Pita arcoíris

De regenboogpitta is de pitta van het noordwesten: een gedrongen, kortstaartige grondvogel van de moessonbosjes van de Top End en de Kimberley, met een fluweelzwarte kop en onderzijde, een groene rug, een lichtgevend blauwe schoudervlek en een vuurrode onderstaart. Ondanks die kleuren wordt hij weinig gezien: in het halfdonker van een lianenstruweel valt zwart samen met schaduw en groen met blad, en de vogel loopt weg in plaats van op te vliegen. Het is de enige pitta van het Australische noordwesten en daarmee de meest geïsoleerde van de drie.

Regenboogpitta (Pitta iris)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, ver dragend fluitsignaal van twee tot drie noten, in Australië meestal weergegeven als want-a-whip, met de laatste noot opgaand en nadrukkelijk. Het lijkt sterk op het walk-to-work van de Australische pitta maar is korter en wat lager, en de twee soorten komen nergens samen voor, zodat het geluid in de Top End altijd deze soort is. Hij roept vooral in de vroege ochtend en na regen aan het begin van het natte seizoen; in het droge seizoen kan het bos wekenlang stil zijn terwijl de vogels er gewoon zitten. Verder is er een laag, grommend alarm en een kort, hard kwok bij verstoring.

Luister: ZangXC1170051

Opname: Richard White — CC BY-NC-SA 4.0 · Buffalo Creek Management Area (near Lee Point), Darwin Municipality, Northern Territory, Australia · xeno-canto

Herkenning

Zestien tot achttien centimeter, met een zware bouw, lange poten, een korte stevige snavel en een staart die nauwelijks zichtbaar is. Kop, keel, borst en buik zijn diep fluweelzwart; over de zijkant van de kop loopt van het oog naar de nek een brede kastanjebruine tot roodbruine band, het enige lichte in het verder zwarte kopje. De rug en de vleugels zijn diepgroen, met op de vleugeldekveren een fel hemelsblauwe vlek die bij beweging oplicht. De onderstaartdekveren zijn helderrood. Man en vrouw zien er gelijk uit. Jonge vogels zijn dofbruin met een lichte snavelbasis en missen zowel het blauw als het rood. Het silhouet is dat van een klein, kogelrond kippetje op te lange poten.

Verwarrings­soorten

De Australische pitta (Pitta versicolor) is de soort waarmee hij op papier verward wordt: die is groter, heeft een kastanjebruine kruin op de kop in plaats van een zijdelingse band, en is van onderen geelbruin met een zwarte buikstreep in plaats van geheel zwart. In het veld is verwarring echter uitgesloten, want die soort komt alleen in het oosten voor en de twee arealen raken elkaar nergens. De papoeapitta (Erythropitta macklotii) heeft een blauwe borstband en een rode buik en zit aan de top van Kaap York, ook buiten bereik. Binnen de Top End is er geen andere vogel met dit silhouet; de kans is groter dat een waarnemer de vogel helemaal niet ziet dan dat hij hem verwisselt.

Leefgebied

Moessonbos en lianenstruweel: de kleine, dichte, altijdgroene bosjes met lianen die in de Top End als eilandjes in de savanne liggen, vaak bij een bron, in een kloofje of vlak achter een strandwal. Daarnaast gebruikt de soort mangrove, bamboedichtingen en het dichte, vochtige bos langs kreken. Het gaat telkens om plekken met een gesloten kroondak, een diepe strooisellaag en een bodem die ook in het droge seizoen vochtig blijft; daar zoekt de vogel naar landslakken, kevers, regenwormen en duizendpoten. Net als de Australische pitta gebruikt hij een vast aambeeld — een steen of wortel waar hij de slakkenhuizen stukslaat, herkenbaar aan het hoopje scherven. Deze bosjes beslaan samen maar een fractie van de Top End, wat de soort ondanks haar grote areaal plaatselijk maakt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in het noordwesten van Australië: de Top End van het Noordelijk Territorium, ruwweg van de Kimberley in West-Australië via Darwin, Kakadu en Arnhemland tot in de Golf van Carpentaria, plus de Tiwi-eilanden (Melville en Bathurst) en Groote Eylandt. Binnen dat gebied is de verspreiding een lappendeken die de ligging van de moessonbosjes volgt. Er is geen trek, maar wel wat lokale verplaatsing: in het natte seizoen verspreiden de vogels zich naar tijdelijk geschikt bos, in het droge seizoen trekken ze zich in de blijvend vochtige kernbosjes terug.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in het begin van het natte seizoen, wanneer de vogels roepen, en kies een moessonbosje met een gesloten kroondak, bij voorkeur bij een bron of in een kloof — in het droge seizoen kan hetzelfde bosje volkomen stil lijken. Ga aan de rand zitten in plaats van erdoorheen te lopen en laat de vogel komen; dit is een soort die men zittend ziet en lopend mist. Let op het contrast: het felle blauw en rood zijn in de schaduw onzichtbaar, maar zodra de vogel een lichtvlek kruist lichten ze een seconde op. Zoek ook hier naar hoopjes gebroken slakkenhuizen, die verraden dat er een vogel woont, ook als hij zwijgt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Binnen haar eigen leefgebied is de soort algemeen en plaatselijk zelfs talrijk, en het grootste deel van het areaal ligt in dunbevolkt gebied met veel beschermd en inheems beheerd land. De zorg zit niet in de vogel maar in zijn habitat: de moessonbosjes zijn kleine, scherp begrensde eilandjes die bijzonder gevoelig zijn voor vuur dat vanuit de savanne binnendringt, en voor waterbuffels en verwilderde varkens die de randen vertrappen, de bodem omwoelen en de bosjes uit laten drogen. Ook de voortschrijdende verbreiding van gamba-gras, dat heter brandt dan het inheemse gras, vergroot de vuurdruk op precies die randen. Het beheer in Kakadu en op het land van de traditionele eigenaren richt zich dan ook op brandbeheer in het vroege droge seizoen en op het weren van groot vee uit de bosjes.

Wetenschappelijke naam

Pitta iris | Gould, 1842

John Gould beschreef de soort in 1842 in The Birds of Australia naar vogels van het Cobourg-schiereiland in het noorden van Australië. Het epitheton iris verwijst naar Iris, de Griekse godin van de regenboog, en is dus een vondst voor het kleurenpalet van de vogel; de Nederlandse naam regenboogpitta, de Engelse Rainbow Pitta en de Spaanse pita arcoíris vertalen dat alle drie letterlijk. De geslachtsnaam Pitta komt uit het Telugu van Zuid-India, waar het eenvoudig 'vogeltje' betekent, en is via de Britse natuuronderzoekers in India in de wetenschappelijke naamgeving terechtgekomen.