Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Rode grutto

Rode grutto | Limosa haemastica

Hudsonian Godwit | Aguja hudsoniana

De rode grutto is de grutto van het verkeerde halfrond: een Noord-Amerikaanse broedvogel die eigenlijk naar Vuurland en Chiloé hoort te trekken en per ongeluk in Australië en Nieuw-Zeeland belandt. Hij lijkt op een grutto met een witte vleugelstreep en een zwarte staart, maar zodra hij de vleugel optilt is het beslist, want daar zit een gitzwarte ondervleugel die geen andere grutto ter wereld heeft. In broedkleed zijn de onderdelen diep kastanjerood met een fijne zwart-witte bandering.

Rode grutto (Limosa haemastica)
Foto: USFWS Mountain Prairie — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Op de rustplaats is hij bijna altijd stil, en de meeste waarnemers in dit gebied horen hem nooit. Waar hij geluid geeft, is het een hoog, kort en wat piepend toe-wiet of ke-wiet, hoger en dunner dan het nasale drielettergrepige geroep van de grutto, en veel minder doordringend dan wat een rosse grutto op een rustplaats laat horen. Het uitbundige baltsgeroep hoort bij de toendra van Alaska en Hudsonbaai en valt buiten dit kaartvenster.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote steltloper van zevenendertig tot tweeënveertig centimeter, spanwijdte ongeveer vierenzeventig centimeter, rond de driehonderd gram, met het vrouwtje zwaarder dan het mannetje. De snavel is lang, recht tot licht opgewipt, roze aan de basis en zwart aan de punt; de poten zijn lang en donkergrijs tot zwart. In winterkleed is hij gelijkmatig grijsbruin en onopvallend; in broedkleed zijn de onderdelen diep kastanjerood met een fijne zwart-witte bandering over buik en flanken en de bovendelen donker met witte vlekjes. Het beslissende kenmerk is de ondervleugel: de dekveren en oksels zijn zwart, wat bij elke vleugelslag als een donkere flits zichtbaar wordt. Verder: witte stuit, zwarte staart en een smalle witte vleugelstreep.

Verwarrings­soorten

De grutto (Limosa limosa) is de gevaarlijke, want die heeft eveneens een witte vleugelstreep, een witte stuit en een zwarte staartband: het verschil zit uitsluitend in de ondervleugel, die bij de grutto helemaal wit is en hier zwart, en in de breedte van de vleugelstreep, die bij de grutto breder is. De rosse grutto (Limosa lapponica), de soort waarin hij zich in dit gebied verstopt, mist zowel de vleugelstreep als de zwarte staart en heeft in plaats daarvan een fijn gebandeerde staart en een witte wig over de rug. De Aziatische grijze snip (Limnodromus semipalmatus) heeft een geheel zwarte, stompe snavel en mist de vleugelstreep. Elke melding hier hoort te rusten op een foto van de gespreide vleugel van onderen; een zittende vogel in winterkleed is niet met zekerheid te benoemen.

Leefgebied

In dit gebied houdt hij zich op waar hij zijn gastheren vindt: intergetijdenslik en zandplaten van estuaria en baaien, de bassins en dijkjes van zoutwinningsbedrijven, ondiepe kustlagunes en kwelders met samphire. Hij foerageert als een grutto, wadend tot buikhoogte en met de snavel volledig onder water prikkend naar wormen en schelpdieren. Binnenlandse zoetwaterplassen gebruikt hij hier zelden, al kan hij bij een langdurig verblijf ook op een afvalwaterbekken of een ondergelopen weiland belanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster is hij een zeldzame maar bijna jaarlijkse gast. In Australië zijn er gevallen uit Queensland, Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Tasmanië, Zuid-Australië en West-Australië, vrijwel altijd één vogel tegelijk en vrijwel altijd tussen de rosse grutto's op een grote rustplaats; sommige vogels blijven maanden op dezelfde plek en trekken dan veel waarnemers. In Nieuw-Zeeland gaat het om doorgaans minder dan drie vogels per jaar, in estuaria en kustwetlands en eveneens in gruttogezelschap; het eerste geval was in 1902 bij Lake Ellesmere. De broedgebieden liggen in westelijk Alaska, de Mackenziedelta en bij Hudsonbaai en dus ver buiten dit kaartvenster.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in november tot februari naar een grote rustplaats met rosse grutto's — Werribee, de Coorong, de Hunter-estuarium of de Firth of Thames — en zoek niet naar kleur maar naar vorm en tekening in de vlucht. Wacht tot de groep verlegt: één zwarte ondervleugel tussen duizend lichte valt op als een schaduw. Een vogel die in februari begint te ruien en kastanjerood op de borst krijgt, is het makkelijkst van allemaal, want geen rosse grutto in dit gebied kleurt zo diep. Meld het geval met beeld aan de landelijke zeldzaamhedencommissie.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU). De soort broedt in drie van elkaar gescheiden gebieden in arctisch Noord-Amerika en overwintert vrijwel geheel in twee gebieden in het zuiden van Zuid-Amerika, en juist die opeenstapeling maakt haar kwetsbaar: wat er misgaat op een van de weinige tussenstops of overwinteringsplaatsen, raakt meteen een groot deel van de wereldstand. Verlies en verstoring van kustwetlands in Noord- en Zuid-Amerika, en veranderingen op de arctische broedgronden, zijn de belangrijkste factoren. Voor Australië en Nieuw-Zeeland gaat het om enkele vogels per jaar en is er geen eigen beheersvraagstuk, maar elk geval is wel een nuttige aanvulling op wat we van de zwerfbewegingen van deze soort weten.

Wetenschappelijke naam

Limosa haemastica | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de vogel in 1758 als Scolopax haemastica; door de latere verplaatsing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie is later vastgelegd op Hudsonbaai. Het epitheton haemastica is gevormd bij het Griekse haima, 'bloed', en betekent zoveel als 'bloedkleurig', naar de diep kastanjerode onderdelen in broedkleed — dezelfde gedachte die ook in de Nederlandse naam zit. De geslachtsnaam Limosa komt van het Latijnse limus, 'slijk'. De Engelse naam verwijst naar Hudsonbaai.