Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Roestschouderelfje
Roestschouderelfje | Malurus assimilis
Purple-backed Fairywren | Maluro dorsimorado
Het roestschouderelfje is het elfje van het droge binnenland: van westelijk Queensland en Nieuw-Zuid-Wales dwars door het continent tot de kust van West-Australië. Tot 2018 gold het als dezelfde soort als het bonte elfje; de Groot Australisch Scheidingsgebergte bleek de grens tussen twee oude, genetisch gescheiden lijnen.
Geluid
Een hoge, snelle triller van korte elementen, zoals bij de andere roestschouderelfjes, één tot enkele seconden lang, en door beide seksen gezongen. De groepsleden houden in dekking contact met dunne tsst-nootjes; bij gevaar klinkt een kort, scherp tsit.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Twaalf tot veertien centimeter, waarvan een groot deel staart. Het mannetje in broedkleed heeft felblauwe oorpluimen, een blauwpaarse kruin en voorhoofd, een zwarte keel en nek, een blauwpaarse mantel, roestbruine schouders, doffe bruine vleugels, een blauwgrijze staart en een witte buik; van oost naar west worden de vogels bleker, en in het noordwesten bleker nog. Vrouwtjes, jonge vogels en eclipsmannetjes zijn in het grootste deel van het areaal grijsbruin, maar in Arnhemland en de Kimberley overwegend blauwgrijs, in Arnhemland met witte in plaats van roestkleurige teugel. Alle mannetjes hebben een zwarte snavel en zwarte teugel, vrouwtjes van de meeste vormen een roodbruine snavel en roestkleurige teugel.
Verwarringssoorten
Van het bonte elfje (Malurus lamberti) is hij in het veld vrijwel alleen op plaats te scheiden: die zit ten oosten van de Groot Australisch Scheidingsgebergte, deze westelijk ervan, met een brede strook overgangsvormen in zuidelijk Queensland. In het zuidwesten wordt hij vervangen door Malurus pulcherrimus, met een violetblauwe borst, en door Malurus elegans, dat groter is, een zilverblauwe kop heeft en in nat karribos leeft. Ten noorden van de lijn Normanton–Townsville neemt Malurus amabilis het over, met kortere staart en een blauw vrouwtje. Het prachtelfje (Malurus splendens) deelt over grote afstand hetzelfde land maar is geheel blauw zonder roestbruine schouder. Vrouwtjes en eclipsmannetjes blijven het lastigst: bruin, zonder kenmerk, en meestal alleen te plaatsen aan de hand van het mannetje in het gezelschap.
Leefgebied
Struweel met dichte dekking, met voorkeur voor rotsige opduikingen en plekken met acacia, Eremophila of lignum. In het Noordelijk Territorium gaat de voorkeur uit naar open bos met dichtingen van lancewood en bullwaddy boven eucalyptusbos. Verder chenopodenstruweel met saltbush (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten), bluebush (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland) en roly-poly, met graspollen en een scherm van black box en callitris.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over vrijwel het hele Australische continent ten westen van de Groot Australisch Scheidingsgebergte: van Queensland en westelijk Nieuw-Zuid-Wales tot de kust van West-Australië, plus Bernier en Dorre Island voor die kust. Overwegend standvogel — vroeg veldwerk suggereerde zwerfgedrag, maar later, zorgvuldiger onderzoek liet zien dat de paren jaarrond hun terrein houden. Van de noordelijke vormen is daarover weinig bekend.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In het binnenland is dit vaak het enige roestschouderelfje dat u zult zien; let bij een mannetje op de paarsige gloed over kruin en mantel, die in laag ochtendlicht het duidelijkst is. Broeden kan hier op elk moment: na zware regen gaan de vogels aan de slag, meestal met één broedsel per jaar, in een koepelnest dat groter is dan dat van de andere elfjes — bij Shark Bay gemeten op negen tot elf centimeter hoog.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar plaatselijk hard geraakt door het ontginnen van natuurlijke begroeiing, in de graanstreek van West-Australië en in de Murray-Mallee van Victoria, en door vee dat de saltbush wegvreet waarin de vogel zijn dekking vindt.
Wetenschappelijke naam
Malurus assimilis | North, 1901
Alfred John North beschreef de soort in 1901 in The Victorian Naturalist, naar materiaal van Mossgiel in het binnenland van Nieuw-Zuid-Wales, en stelde voor hem purple-backed superb warbler te noemen; Edward Pierson Ramsay had al een kwart eeuw eerder opgemerkt dat de binnenlandvogels van de kustvogels verschilden. assimilis is Latijn voor 'gelijkend', naar de gelijkenis met Malurus lamberti. Mathews plaatste hem als ondersoort daarvan, en zo bleef het tot de genetische studie van McLean en medewerkers uit 2017, waarna de wereldlijst de soort in 2018 in ere herstelde.




