Alle soortenZangvogelsBuulbuuls › Roodoorbuulbuul

Roodoorbuulbuul | Pycnonotus jocosus

Red-whiskered Bulbul | Bulbul orfeo

De roodoorbuulbuul is een Aziatische tuinvogel die sinds 1880 in Sydney zit en zich sindsdien langs de oostkust heeft uitgebreid: een slanke, langstaartige vogel met een spitse zwarte kuif, een witte wang en een felrode vlek onder het oog. Hij zit open en zonder schroom op een heg of een draad, roept de hele dag, en verspreidt met zijn uitwerpselen de zaden van precies die struiken die Australië liever kwijt was.

Roodoorbuulbuul (Pycnonotus jocosus)
Foto: Lip Kee Yap — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, heldere en rollende roep van drie tot vier lettergrepen, meestal weergegeven als kink-a-joe of petti-grew, die de hele dag door uit tuinen en heggen komt en op flinke afstand te horen is. Daarnaast een kort, scherp pit als contactroep en een snel gescheld bij katten en roofvogels. Zang in strikte zin heeft de soort niet; de roep zelf doet dienst als territoriumsignaal.

Luister: RoepXC1051835

Opname: Ujjal Kishor De — CC BY-SA 4.0 · Ambedkar College, fatikroy, Unakoti, Tripura, India · xeno-canto

Herkenning

Een slanke vogel van twintig tot tweeëntwintig centimeter met een opvallende, rechtopstaande zwarte kuif die vaak schuin naar voren wijst. De kop is zwart met een grote witte wang, omrand door een dunne zwarte streep, en met een scharlakenrode vlek achter het oog — het kenmerk waaraan de soort haar naam dankt. De bovendelen zijn effen bruin, de onderdelen wit met een onderbroken bruine borstband; de onderstaartdekveren zijn rood. De lange staart is donker met witte punten. Jonge vogels missen het rood en hebben een grijzere kruin.

Verwarrings­soorten

In Australië is er geen tweede buulbuul in het wild, zodat verwarring vooral op afstand ontstaat. Pycnonotus cafer, die in Nieuw-Zeeland herhaaldelijk is opgedoken en telkens is uitgeroeid, heeft een zwarte kop zonder witte wang, een schubbige borst en een witte stuit. De treurmaina is bruin met gele huid om het oog en loopt over de grond in plaats van in struiken te klimmen. Een spreeuw is korter van staart, glanzend en gespikkeld en heeft nooit een kuif.

Leefgebied

Tuinen, parken, golfbanen en straatbomen vormen het hart van zijn leefgebied, samen met de dichte, verwilderde begroeiing langs stadskreken. Verder zit hij in boomgaarden, wijngaarden en de randen van akkerland. Hij wil struikgewas met vruchten en een open zitplaats erboven, en meidt gesloten inheems bos en het droge binnenland volledig.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In Australië beperkt tot twee ingevoerde bevolkingen: die van Sydney, uitgezet omstreeks 1880 en tegen 1920 over de hele stad verspreid, van waaruit de vogel langs de oostkust noord- en zuidwaarts is opgeschoven, en een kleinere en veel plaatselijker groep rond Melbourne uit het midden van de twintigste eeuw. West-Australië en de meeste andere staten houden hem buiten de deur. Oorspronkelijk komt hij uit Zuid- en Zuidoost-Azië, van India tot Zuid-China.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de voorsteden van Sydney: elke heg, elke vijgenboom en elke overwoekerde kreekoever langs de kust levert binnen een kwartier een roepende vogel op. Ga af op de roep en zoek dan de hoogste open tak in de buurt, want daar zit hij graag. Let op de vorm van de kuif — die staat ook bij een vogel in tegenlicht als een spitse punt tegen de lucht.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC) en in het eigen Aziatische areaal talrijk. In Australië is hij een exoot en op verschillende plaatsen tot plaagsoort verklaard: hij pikt zacht fruit aan in boomgaarden en tuinen en verspreidt met de zaden in zijn uitwerpselen invasieve struiken als lantana, kamferlaurier, liguster en braam. Buiten Sydney en Melbourne worden losse vogels opgespoord en verwijderd om nieuwe haarden te voorkomen.

Wetenschappelijke naam

Pycnonotus jocosus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de vogel in 1758 als Lanius jocosus, bij de klauwieren; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pycnonotus werd in 1826 ingevoerd door Boie, uit het Griekse puknos, 'dicht', en notos, 'rug', naar het dichte, zachte verendek op de rug van de buulbuuls. jocosus is Latijn voor 'vrolijk', van iocus, 'grap'. Het type kwam uit China.