Alle soortenZangvogelsKwartellijsters › Roodrugkwartellijster

Roodrugkwartellijster | Cinclosoma castanotum

Chestnut Quail-thrush | Zordala castaña

De roodrugkwartellijster is de kwartellijster van de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) in het zuidoosten: een forse, kortvleugelige grondvogel met een diep kastanjebruine rug en een zwarte borst, die tussen de veelstammige eucalypten en de spinifexpollen door loopt. Hij is de grootste van de zes binnenlandse soorten en tegelijk een van de moeilijkste, want zijn westelijke evenbeeld is pas kort geleden als aparte soort erkend.

Roodrugkwartellijster (Cinclosoma castanotum)
Foto: Peter Jacobs from Australia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een langzame, zeer hoge reeks wiet-wiet-wiet, in gelijke tussenpozen afgegeven en op één toonhoogte gehouden, en daarnaast een nog dunner, insectachtig sie-sie sie dat door veel oren helemaal niet wordt opgevangen. De geluiden komen van de grond of van een lage zijtak en zijn vrijwel niet te peilen: ze lijken van alle kanten tegelijk te komen. Het mannetje roept het meest in de eerste twee uur na zonsopgang, in het voorjaar van augustus tot november. Bij verstoring valt de vogel stil en blijft dan lang stil.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Eenentwintig tot vijfentwintig centimeter, met een zware kop, korte ronde vleugels, stevige poten en een lange staart met witte punten. Het mannetje heeft een grijze kruin en nek en een diep kastanjebruine mantel en rug, een scherpe witte wenkbrauwstreep, een zwarte keel met daarin een witte vlek, en een zwarte borst die scherp tegen de witte buik afsteekt; de flanken zijn grijs tot zwart met witte strepen. Het vrouwtje heeft een grijze keel en borst in plaats van zwart, een beige tot geelbeige wenkbrauwstreep en een roodbruine tot lichtbruine rug. Beide geslachten hebben een witte buik. Opvliegen gaat laat en laag, met wit in de staarthoeken, en de vogel verdwijnt binnen enkele tientallen meters weer in de dekking.

Verwarrings­soorten

Ook hier geldt dat veldherkenning zonder bekend areaal vaak niet mogelijk is. Cinclosoma clarum, de koperrugkwartellijster, is de westelijke tegenhanger en werd tot een moleculair onderzoek in 2015 als ondersoort van deze vogel behandeld; hij is even groot en even zwaar, en verschilt alleen in de tint van de rug, koperkleurig tegen kastanjebruin — een verschil dat bij ander licht of bij versleten veren verdwijnt. De twee worden door de Eyrean Barrier, de Spencergolf en de Nullarbor, gescheiden: deze soort zit ten oosten, clarum ten westen. Cinclosoma castaneothorax is kleiner, heeft een kaneelbruine borstband in plaats van een geheel zwarte borst en zit in het binnenland van Queensland. Cinclosoma marginatum is eveneens kleiner, heeft lichter gezoomde rugveren en zit in west-centraal West-Australië. Cinclosoma cinnamomeum en Cinclosoma alisteri zijn duidelijk kleiner, bleker en vogels van kale steen- en zoutbusvlakten zonder bomen. De gevlekte kwartellijster (Cinclosoma punctatum) is groter, zwart-wit gespikkeld op schouder en flank en houdt zich in vochtiger, steenachtig eucalyptusbos op; hun areaal overlapt plaatselijk in Nieuw-Zuid-Wales en Victoria, en daar is de spikkeling het bepalende kenmerk.

Leefgebied

Mallee met een ondergroei van spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland), broombush of lage heide, en verder droog eucalyptusbos en open bos op zandige of steenachtige bodem, en stroken acaciastruweel. Een dikke laag bladstrooisel en gevallen takken zijn essentieel: daarin zoekt de vogel zijn voedsel en daarin verdwijnt hij bij onraad. Oude, lang niet gebrande mallee is veel beter dan jonge hergroei. Open weiland en akkerland gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het zuidoosten van Australië ten oosten van de Spencergolf: het Yorke-schiereiland, de zuidelijke Flinders Ranges, de oostelijke Mount Lofty Ranges, het noordwesten van Victoria en het zuidwesten en midden van Nieuw-Zuid-Wales. Standvogel met een vast terrein dat een paar jarenlang aanhoudt. Het areaal is de laatste eeuw sterk versnipperd geraakt doordat de malleegordel van het Murraygebied grotendeels voor graanbouw is ontgonnen; wat rest zijn eilanden van oude mallee in reservaten en langs wegen. In Victoria en Zuid-Australië hangt het voortbestaan vooral aan die reservaten.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in het eerste uur na zonsopgang langzaam over een zandspoor door oude mallee en blijf om de vijftig meter staan. Luister naar iets zeer hoogs en gelijkmatigs dat nergens vandaan komt; dat is de vogel. Loop daarna niet op het geluid af maar blijf staan — de vogel loopt weg zodra u beweegt en komt terug als u stilstaat. De beste tijd van het jaar is het voorjaar, van augustus tot november, en de beste plekken zijn malleeblokken die al twintig jaar of langer niet zijn afgebrand.

Staat van instandhouding

AviList geeft de soort geen eigen IUCN-beoordeling: zij staat er als niet beoordeeld (NE), omdat de soortgrens sinds de afsplitsing van de koperrugkwartellijster is verschoven en de wereldlijsten die herziening nog niet hebben verwerkt. Dat is een gegevenskwestie, maar in dit geval een die telt: door de afsplitsing is het areaal van deze soort ongeveer gehalveerd, en wat overblijft ligt juist in het deel van Australië waar de mallee het zwaarst is aangetast. Grootschalige ontginning voor graanbouw, grote hete branden die hele malleeblokken tegelijk wegnemen, en de verwilderde kat en de vos zijn de drie concrete bedreigingen. In verschillende deelstaten staat de soort op regionale lijsten van aandachtsoorten.

Wetenschappelijke naam

Cinclosoma castanotum | Gould, 1840

John Gould beschreef de vogel in 1840 als Cinclosoma castanotus, en in dat geslacht staat hij nog steeds; de uitgang is later aangepast aan het onzijdige geslacht van Cinclosoma, een taalkundige en geen naamkundige wijziging, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Vigors en Horsfield voerden Cinclosoma in 1827 in, uit Grieks kinklos (een niet nader bepaalde oevervogel) en soma (lichaam). Het epitheton is samengesteld uit Grieks kastanon (kastanje) en nōton (rug) en betekent 'met kastanjebruine rug'. De typelocatie is 'the Belts of the Murray' in Zuid-Australië, de malleegordel langs de Murray. De westelijke vorm clarum is in 2015, na onderzoek aan het mitochondriaal DNA, van deze soort afgesplitst.