Alle soortenZangvogelsDoornsnavels en verwanten › Roodstuitdoornsnavel

Roodstuitdoornsnavel | Acanthiza apicalis

Inland Thornbill | Acantiza apical

De roodstuitdoornsnavel is de meest wijdverbreide doornsnavel van het droge binnenland en tegelijk de rusteloosste: een vogeltje dat zijn lange staart vrijwel voortdurend opgewipt houdt, met een roodbruine stuit, een diep rode iris en een keel vol donkere streepjes. Hij is bovendien een uitstekende imitator, wat in een stil mulgastruweel voor verrassende geluiden zorgt.

Roodstuitdoornsnavel (Acanthiza apicalis)
Foto: Peter Jacobs from Australia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een levendige, krachtige territoriumzang die voor een vogel van tien centimeter opmerkelijk ver draagt, en hoge contactroepjes van het type tsie-tsie. De soort is een begaafde imitator en neemt onder meer de tonen over van de zwartkeelorgelvogel (Cracticus nigrogularis), de grijsrugfluiter (Pachycephala rufiventris) en verschillende koekoeken. Wie in de mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) een vreemde reeks hoort die niet bij de plaatselijke vogels past, doet er goed aan eerst naar een doornsnavel te zoeken.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Negen tot elf centimeter, grijsbruin van boven, met een zwart-wit geschubd voorhoofd, een helder roodbruine stuit en een staart met een brede donkere band en witte punten — dat laatste kenmerk leverde het wetenschappelijke epitheton op. De iris is diep rood. De keel en borst dragen een duidelijke donkere streping, en de staart is naar verhouding lang en wordt vaak omhoog gehouden. Mannetjes zijn iets groter dan vrouwtjes, maar verder zijn de seksen gelijk. Er worden vier ondersoorten onderscheiden, waaronder de nominaatvorm in zuidwestelijk West-Australië en albiventris in het oosten van het areaal.

Verwarrings­soorten

Dit is de spil van het binnenlandse doornsnavelvraagstuk en er zijn vier tegenspelers. De bruine doornsnavel (Acanthiza pusilla) lijkt het meest en overlapt langs de Groot Australisch Scheidingsgebergte: die heeft een kortere staart die niet wordt opgewipt, minder streping op de borst en een warmer roodbruine tint. De roodstaartdoornsnavel (Acanthiza uropygialis) heeft een witte in plaats van rode iris, een bleker grijsbruine rug en geen streping op de onderdelen. De grijsrugdoornsnavel (Acanthiza robustirostris) deelt de rode iris maar heeft een leigrijze rug en een geheel ongestreepte, crèmewitte onderzijde. In de zuidwesthoek is de Kaap Leeuwin-doornsnavel (Acanthiza inornata) de tegenspeler: effen, bleek van oog en zonder gekleurde stuit. De Tasmaanse doornsnavel (Acanthiza ewingii) lijkt eveneens en heeft witte onderstaartdekveren, maar komt alleen op Tasmanië en de eilanden in Straat Bass voor en overlapt dus niet.

Leefgebied

Ondanks de Engelse naam een soort van uiteenlopende leefgebieden: droog open bos en acaciastruweel over vrijwel heel binnenlands Australië, mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), cipresdennenbos, en in het zuidwesten ook zandvlakteheide, dicht karribos en zelfs mangrove aan de kust. Overal is de gemene deler een dichte struiklaag. Hij foerageert in het gebladerte en de ondergroei op spinnen en kleine insecten, meestal in paren of kleine groepjes, en komt minder vaak op de grond dan de geelstuitdoornsnavel. Het nest is een kleine koepel van bastreepjes en gras, samengebonden met spinrag en met een overhuifd ingangsgat, laag in een struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Wijd verbreid over binnenlands Australië: van noordwestelijk Victoria, westelijk Nieuw-Zuid-Wales en Queensland door het midden van het Noordelijk Territorium en West-Australië ten zuiden van de Steenbokskeerkring, en door Zuid-Australië op het zuidoosten na. In het zuidwesten reikt hij tot aan de kust. Hij is standvogel, plaatselijk zwervend. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De staart is uw eerste aanwijzing, nog voordat u een kleur ziet: een doornsnavel die zijn staart omhoog houdt en er voortdurend mee schokt, is in het binnenland vrijwel zeker deze soort. Bevestig met de gestreepte keel en het rode oog. Reageert een vogel sterk op nagebootste alarmroepjes en begint hij zelf te imiteren, dan wijst dat eveneens deze kant op. In de zuidwesthoek is de afweging eenvoudiger: alleen deze soort en de Kaap Leeuwin-doornsnavel zijn daar bruine doornsnavels, en alleen deze heeft een roodbruine stuit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in alle deelstaten waar hij voorkomt als veilig beschouwd. De soort is algemeen en veelzijdig genoeg om zich in uiteenlopende vegetatietypen te handhaven, van mangrove tot woestijnstruweel. Waar de struiklaag verdwijnt door overbegrazing, te frequente branden of het rooien van open bos gaat hij wel achteruit, want dichte ondergroei is de voorwaarde die al zijn leefgebieden gemeen hebben.

Wetenschappelijke naam

Acanthiza apicalis | Gould, 1847

John Gould beschreef de soort in 1847 in The Birds of Australia. Het epitheton apicalis is Latijn voor 'van de punt' en wijst op de witte punten aan de staartveren. De Noongar van zuidwestelijk West-Australië noemen de vogel Djoobi-Djoolbang. De Engelse naam Inland Thornbill kiest het zwaartepunt van het areaal, al doet die naam de zuidwestelijke kust- en mangrovepopulaties tekort. De Nederlandse naam roodstuitdoornsnavel en de Spaanse naam acantiza apical kiezen elk een ander kenmerk: de stuit en, net als het wetenschappelijke epitheton, de staartpunten.