Alle soorten › Zangvogels › Pardaloten › Geelvlekdiamantvogel
Geelvlekdiamantvogel | Pardalotus striatus
Striated Pardalote | Pardalote estriado
De geelvlekdiamantvogel is de wijdst verbreide van de vier diamantvogels: een vogeltje van negen centimeter dat hoog in de eucalyptuskroon leeft en daar lerp (suikerhoudend schildje van bladvlooien, voedsel voor honingeters), bladvlooien en rupsjes van de bladeren plukt. Je hoort hem eerder dan je hem ziet, want het korte deuntje klinkt de hele dag boven in de bomen. Broeden doet hij juist beneden, in een tunnel die het paar zelf in een aarden wand graaft.
Geluid
Een helder, scherp tsjie-tsjip, de tweede noot iets lager, dat met tussenpozen van enkele seconden minutenlang wordt herhaald; in Australië schrijft men het als pick-it-up of witta-witta. Daarnaast klinkt een zachte lage triller waarmee de vogels in de kroon contact houden, en bij onraad een korte, snijdende tsjip. Bij het nest roepen de partners onafgebroken naar elkaar.
Opname: Richard White — CC BY-NC-SA 4.0 · Lee Point, Darwin Municipality, Northern Territory, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen vogeltje van 8 tot 10 centimeter met een korte staart en een fijne, stompe snavel. De kruin is zwart, bij een deel van de ondersoorten met fijne witte streepjes; boven het oog loopt een witte streep die vóór het oog een gele vlek draagt. De rug is olijfgrijs, de keel geelachtig, de onderzijde vuilwit. Over de gevouwen vleugel loopt een witte streep, met vooraan een rood of geel vlekje. Man en vrouw zijn gelijk, jonge vogels valer en doffer van kruin.
Verwarringssoorten
De gevlekte diamantvogel (Pardalotus punctatus) heeft een zwarte kruin en vleugel vol witte stippen, een rossige stuit en een dieper, klagend gefluit. De roodbrauwdiamantvogel (P. rubricatus) van het droge binnenland heeft een grijze, fijn gestreepte kruin en een oranje vlek boven het oog. De Tasmaanse diamantvogel (P. quadragintus) is dof olijfgroen zonder witte wenkbrauw en zit alleen in het zuidoosten van Tasmanië. Het eucalyptushaantje is nog kleiner en mist de vleugelstreep.
Leefgebied
Vrijwel elk landschap met bomen of struiken, maar het zwaartepunt ligt in droog eucalyptusbos en in het natte bergbos daarnaast. Ook rivierbos van rode gomboom langs kreken, mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), casuarinabos en oude tuinen met grote bomen horen erbij. Wat hij nodig heeft is een holte of een steile aarden wand — een wegberm, een oevertalud, de kluit onder een omgevallen boom — waarin het paar een tunnel graaft.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over vrijwel heel Australië, van Kaap York tot Tasmanië en door tot in het zuidwesten; alleen de droogste zandwoestijn blijft leeg, en buiten Australië komt de soort niet voor. Zes ondersoorten verdelen dat gebied; enkele werden vroeger als aparte soorten gevoerd, maar waar hun kleedvormen elkaar raken kruisen ze door elkaar heen. De Tasmaanse vogels steken in maart en april de Straat Bass over en overwinteren op het vasteland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk omhoog en volg het geluid: de vogel zit meestal in het buitenste blad van een hoge eucalyptus en verraadt zich alleen door zijn deuntje. In de lente loont het een afgestoken wegberm of een oeverwand af te zoeken op ronde gaatjes ter grootte van een duim; wie er even blijft staan, ziet het paar in en uit vliegen. Ook gaten in muren, pijpen en zelfs plantenbakken worden gebruikt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort is talrijk en verbreid, en doordat ze met bijna elk bostype genoegen neemt is ze door de ontginning van Australië minder geraakt dan de meeste bosvogels. Plaatselijk kost de strijd om nestholten met spreeuw en treurmaina broedsels, en nesttunnels in wegbermen gaan verloren bij het uitgraven en maaien van de berm; katten en vossen halen graafnesten leeg.
Wetenschappelijke naam
Pardalotus striatus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de vogel in 1789 als Pipra striata, bij de manakins; omdat hij later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pardalotus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, naar het Griekse pardalōtos, 'gevlekt als een luipaard'. striatus betekent 'gestreept', naar de streepkruin van de zuidelijke vormen. De typelocatie is Tasmanië.



