Alle soortenZangvogelsPardaloten › Roodbrauwdiamantvogel

Roodbrauwdiamantvogel | Pardalotus rubricatus

Red-browed Pardalote | Pardalote cejirrojo

De roodbrauwdiamantvogel is de diamantvogel van het droge binnenland: iets groter dan zijn verwanten, met een zwarte kruin vol witte stippen, een bleke wenkbrauwstreep en daarvóór een korte oranjerode vlek boven het oog. Hij foerageert hoog in het gebladerte van eucalyptussen langs kreken en verraadt zich met een lied dat men in het stille binnenland eerder hoort dan de vogel ziet.

Roodbrauwdiamantvogel (Pardalotus rubricatus)
Foto: Summerdrought — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kenmerkend lied van vijf of zes tonen, waarbij de eerste toon langer en lager is en de volgende steeds hoger en sneller worden — een oplopende reeks die vanaf de boomkroon ver over de open woodland draagt. Het mannetje herhaalt de strofe met tussenpozen om zijn territorium te markeren, vooral in de vroege ochtend. Daarnaast klinkt een kort, hard contacttoontje tussen partners. Zingen gebeurt het hele jaar, met een piek in de broedtijd van juli tot december; in het aride binnenland begint de zang vaak pas na regen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Tien tot twaalf centimeter en ongeveer elf gram; de grootste van de Australische diamantvogels. De kruin is zwart met scherpe witte stippen, daaronder loopt een brede gele tot beige wenkbrauwstreep, en aan de voorkant daarvan staat een korte oranje- tot roodachtige brauwvlek boven de snavelbasis — het naamgevende en beslissende kenmerk. De iris is bleek en valt daardoor op. Op de borst zit een gele vlek en in de vleugel een geel tot oranje paneel. Bovendelen grijsbruin, onderzijde vuilwit. Man en vrouw zijn gelijk en er is geen seizoenskleed. De noordelijke ondersoort yorki is feller gekleurd, met een heldergele borstvlek en een oranje vleugelpaneel; jonge vogels zijn bleker met een doffere kruintekening.

Verwarrings­soorten

De geelvlekdiamantvogel (Pardalotus striatus) overlapt over een groot deel van dit areaal en heeft eveneens een gestreepte of effen zwarte kruin, maar mist de oranjerode brauwvlek en heeft een witte in plaats van gele wenkbrauw en een duidelijke witte vleugelstreep of vleugelvlek. De gevlekte diamantvogel (Pardalotus punctatus) is kleiner, heeft een roodbruine stuit, witte stippen over de hele vleugel en een wit oogstreepje, en komt vooral in vochtiger zuidelijke bossen voor. Doornsnavels van het geslacht Acanthiza zijn slanker, missen de stippenkruin en hebben een fijner, spitser snaveltje. De brauwvlek blijft het enige kenmerk dat men niet hoeft te interpreteren.

Leefgebied

Eucalyptus-woodland in het droge en halfdroge binnenland, met een duidelijke voorkeur voor bomenlinten langs waterlopen: river red gum en coolibah langs kreken en droge rivierbeddingen. Daarnaast bloodwood- en marble gum-woodland, hoge eucalyptusstruwelen zoals mallee, en acaciastruweel waar bomen genoeg blad dragen. Hij is een boomvogel en foerageert vrijwel uitsluitend in het gebladerte, waar hij lerps en kleine insecten van de bladeren plukt. Broeden gebeurt in een zelfgegraven tunnel van zes tot ruim honderd centimeter in een oeverwand of zandhelling, met een nestkamer aan het eind.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Wijd verspreid over noordelijk en centraal Australië, doorlopend naar zuidelijk en zuidcentraal West-Australië, het noordoosten van Zuid-Australië rond het Lake Eyre-bekken, en het zuidwesten van Nieuw-Zuid-Wales. Hij bewoont ook de Great Sandy Desert, de Gibson Desert en de Great Victoria Desert, steeds gebonden aan boomgroei langs waterlopen. Twee ondersoorten: de nominaatvorm in het grootste deel van het areaal en de noordelijke yorki, in 1913 beschreven. Hij is standvogel, maar volgt in het binnenland de regen en kan daardoor plaatselijk verschijnen en verdwijnen.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek de boomlinten langs een droge kreek in het binnenland op en luister in de eerste uren na zonsopgang naar de oplopende reeks van vijf of zes tonen. De vogel zit vrijwel altijd hoog in het gebladerte en beweegt langzaam voor een diamantvogel, wat tijd geeft om de kop in beeld te krijgen. Kijk dan naar de plek recht boven de snavelbasis: een oranjerood veegje boven een gele wenkbrauw, en de determinatie is rond. In de broedtijd loont het ook oeverwanden af te zoeken op nesttunnels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is algemeen binnen een zeer uitgestrekt areaal en de populatie geldt als stabiel. Zij is wel afhankelijk van de rivierbossen van het binnenland, en die staan onder druk door onttrekking van water, vee dat de opslag van jonge bomen wegvreet en het verdwijnen van oude bomen zonder opvolging. Waar de linten van river red gum langs de kreken intact blijven, blijft ook de vogel. Ik heb geen betrouwbare schatting van het aantal volwassen vogels gevonden en laat een getal daarom achterwege.

Wetenschappelijke naam

Pardalotus rubricatus | Gould, 1838

Gould beschreef de soort in 1838 als Pardalotus rubricatus; het geslacht is sindsdien niet veranderd, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Pardalotus komt van Grieks pardalotos (gevlekt als een panter), naar het fijne stippenpatroon van deze vogels; het Nederlandse ‘diamantvogel’ verwijst naar dezelfde glanzende stipjes. rubricatus is Latijn voor ‘met rode oker gekleurd’ en slaat op de brauwvlek. De Nederlandse naam benoemt precies dat kenmerk.