Alle soortenZangvogelsStruikvogels › Rosse doornkruiper

Rosse doornkruiper | Atrichornis rufescens

Rufous Scrubbird | Matorralero rojizo

De rosse doornkruiper is een van de moeilijkst waar te nemen vogels van Australië: een roodbruine, bijna staartloos ogende grondvogel van het dichte regenwoudonderhout in het grensgebied van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales, die zo goed als nooit vliegt en zich als een muis door het bladstrooisel beweegt. Vrijwel alles wat over de soort bekend is, is via het geluid verzameld: de vogel is beter gehoord dan gezien, en waarnemers die hem jarenlang volgen krijgen hem soms nooit goed in beeld. Samen met de liervogels vormt hij een oeroude, uitsluitend Australische tak van de zangvogels.

Rosse doornkruiper (Atrichornis rufescens)
Foto: Joshua Bergmark (Ornis Birding Expeditions) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is alles bij deze soort, en het staat in geen verhouding tot het formaat van de vogel. De zang van het mannetje is een reeks scherpe, metalige chip-noten die versnelt tot een oorverdovende ratel; van dichtbij is het geluid pijnlijk hard, en het draagt door dicht bos nog honderden meters ver. De vogel is bovendien buikspreker: het geluid lijkt van een heel andere plek te komen dan waar de zanger zit, wat een waarnemer eindeloos kan laten ronddwalen. Daarnaast is hij een goede imitator en vlecht hij de roepen van andere bosvogels door zijn zang. Omdat de vogel zelf onzichtbaar blijft, worden territoria in het beheer uitsluitend op zang gekarteerd — geluid is hier geen hulpmiddel maar de enige weg.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Zestien tot achttien centimeter, waarvan een groot deel staart. Het verenkleed is warm roodbruin op de bovendelen, fijn dwarsgebandeerd met donkere golfjes, en beigewit tot vaalbruin op de onderdelen. De staart is lang, breed en wordt vaak omhoog gehouden; de vleugels zijn kort en rond, en de vogel vliegt vrijwel nooit — hij rent met de staart omhoog door het strooisel. Het mannetje draagt een zwarte vlek op keel en bovenborst, die het vrouwtje mist; vrouwtjes zijn effener en kleiner. De poten zijn stevig en de snavel recht en spits. In de praktijk krijgt men hoogstens een glimp van een roodbruine vorm die tussen twee varens door schiet.

Verwarrings­soorten

Een echte veldverwarring is er nauwelijks, want er is in het areaal geen tweede vogel met dit gedrag en dit geluid. Wie een bruine vogel over de bosbodem ziet wegrennen, moet vooral denken aan de nachtegaalstruiksluiper (Sericornis magnirostra) en verwante struiksluipers, die kleiner en fijner zijn en wél gemakkelijk opvliegen, en aan jonge liervogels (Menura alberti en Menura novaehollandiae), die veel groter zijn en met de poten in het strooisel graven in plaats van erdoorheen te rennen. De enige andere soort van de familie, de grote doornkruiper (Atrichornis clamosus), leeft tweeduizend kilometer westelijker in het zuidwesten van West-Australië en komt nergens met deze soort samen. Verwarring speelt eerder in het gehoor: de versnellende ratel wordt door wie hem niet kent aangezien voor het alarm van een honingeter.

Leefgebied

Dicht, vochtig onderhout van subtropisch regenwoud en van beukenbos met antarctische beuk, en plaatselijk de dichte kruidlaag van nat eucalyptusbos dat aan het regenwoud grenst. De soort vraagt een heel bepaalde combinatie: een diepe, permanent vochtige strooisellaag waarin het voedsel zit, een dichte laag varens, lianen en gevallen hout op tien tot vijftig centimeter hoogte om in te bewegen, en genoeg beschutting tegen uitdroging. Die combinatie is er vrijwel alleen boven ruwweg zeshonderd meter, op de vochtige oostflanken van de hoogplateaus. Territoria liggen vaak langs beekjes en op zuidhellingen, waar de bodem ook in een droge zomer nat blijft.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in een klein aantal hooggelegen bosblokken op de grens van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales en in de ranges van de noordelijke kust van Nieuw-Zuid-Wales: de Border Ranges en Lamington in het noorden, en zuidelijker onder meer Dorrigo, de Gibraltar Range, Washpool, de New England-hooglanden en de Barrington- en Gloucester Tops. Tussen die blokken ligt lager, droger of gekapt land dat een vogel die niet vliegt niet oversteekt, zodat elke populatie feitelijk op een eiland zit. Het totale areaal is klein en de bezette oppervlakte binnen dat areaal nog veel kleiner. Er is geen enkele vorm van trek.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga uit van het oor en niet van het oog. Loop in de vroege ochtend langs paden door beukenbos of regenwoud boven zeshonderd meter en blijf staan zodra de versnellende ratel klinkt; probeer vervolgens niet de vogel te benaderen, want het buiksprekende geluid stuurt een waarnemer betrouwbaar de verkeerde kant op en het doorkruisen van het onderhout beschadigt precies de strooisellaag waar de soort van leeft. Blijf op het pad, wacht af en reken erop dat een zichtwaarneming een gelukje is en geen doel. Afspelen van geluid is bij een bedreigde soort met kleine, geïsoleerde populaties niet op zijn plaats.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN). De soort staat in de recente taxonomische en rodelijstoverzichten in de categorie bedreigd, een verzwaring ten opzichte van de lagere inschaling die in oudere bronnen te vinden is. De populatie is klein, in enkele tientallen bosblokken verdeeld en zonder uitwisseling daartussen, want een vogel die niet vliegt steekt geen open land over. De zware bosbranden die in de zomer van 2019 en 2020 over de hoogplateaus van de oostkust trokken, hebben in verschillende van die blokken het onderhout en de strooisellaag verbrand; juist een soort die zich niet kan verplaatsen, herstelt daar traag of niet van. Daarbij komen verdroging door klimaatverandering, verstoring van de strooisellaag door verwilderde varkens, en woekerende exoten zoals lantana die het onderhout van structuur veranderen. Het historische verlies van laaggelegen regenwoud heeft de soort al vóór die tijd tot de hogere delen beperkt.

Wetenschappelijke naam

Atrichornis rufescens | (Ramsay, 1866)

Edward Pierson Ramsay beschreef de soort in 1866 naar vogels uit het dichte bos langs de Clarence en de Richmond in Nieuw-Zuid-Wales, onder de naam Atrichia rufescens. Die geslachtsnaam bleek al voor een insectengeslacht in gebruik en werd daarom vervangen door Atrichornis, gevormd uit het Oudgriekse a- ('zonder'), thrix ('haar') en ornis ('vogel') — een verwijzing naar het ontbreken van de stijve haarveertjes rond de snavelbasis die de meeste zangvogels wel hebben. Het epitheton rufescens is Latijn voor 'roodachtig wordend'. De Engelse naam Rufous Scrubbird en de Spaanse matorralero rojizo noemen kleur en struikgewas; de Nederlandse naam rosse doornkruiper plaatst de vogel bij de kruipers, wat in verwantschap misleidend is: de familie staat niet bij de boomkruipers maar naast de liervogels.