Alle soorten › Zangvogels › Struikvogels › Grote doornkruiper
Grote doornkruiper | Atrichornis clamosus
Noisy Scrubbird | Corredor chillón
De grote doornkruiper is een sober bruine grondvogel van de dichte kustheide ten oosten van Albany, die zeventig jaar lang als uitgestorven gold tot hij in 1961 bij Two Peoples Bay werd teruggevonden. Hij vliegt nauwelijks, blijft in de dekking en is in het veld vrijwel alleen op geluid vast te stellen. De doornkruipers en de lierstaarten staan aan de voet van de stamboom van de zangvogels, die in Australazië ligt.
Geluid
Het lied van het mannetje is een reeks heldere, metaalachtige tonen die snel in kracht toenemen; op honderd meter is het luid, van dichtbij bijna pijnlijk, en op een kilometer nog te horen. Het is buiksprekerig: de richting bedriegt en de vogel zit vaak tientallen meters van waar men hem zoekt. Tussen de strofen door klinken korte, harde tsjak-noten en nabootsing van andere heidevogels. Mannetjes zingen het hele jaar, het meest in de winter en het vroege voorjaar, van juni tot oktober; vrouwtjes zwijgen vrijwel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Negentien tot drieëntwintig centimeter, waarvan een flink deel de lange, trapsgewijs aflopende staart, die meestal omhoog wordt gedragen. De bovendelen zijn donker roodbruin met een fijne donkere golftekening, de buik is roestbruin en de flanken grijzig. Het mannetje heeft een zwarte keel en borst met een witte streep eronder; het vrouwtje mist dat en is duidelijk kleiner. De vleugels zijn kort en rond en de vlucht is zwak: hij rent liever, laag en met de staart hoog, en steekt open grond zelden over. Jonge vogels zijn valer en missen de tekening op de keel.
Verwarringssoorten
De zwartkapborstelvogel (Dasyornis longirostris) leeft in dezelfde heide en is even bruin, maar heeft een geschubde onderzijde, een korte brede staart met donkere dwarsbanden en een zangeriger, veel minder hard lied. Struiksluipers van het geslacht Sericornis zijn kleiner en bewegen hoger in de struik. De rosse doornkruiper (Atrichornis rufescens) is de enige verwante soort en zit vierduizend kilometer verderop, in de grensbergen van Nieuw-Zuid-Wales en Queensland; verwarring in het veld is uitgesloten.
Leefgebied
Dichte, lage begroeiing in vochtige laagten en langs afwateringen binnen de kustheide, met zegge, struikheide en een gesloten dak op kniehoogte tot ooghoogte. Hij heeft dekking nodig die tien jaar of langer niet heeft gebrand; in pas gebrande heide ontbreekt hij en hij keert er pas jaren later terug. Ook de dichte ondergroei van vochtig eucalyptusbos op de hellingen van Mount Manypeaks wordt bewoond. Open, laag geschoren heide en kaal terrein mijdt hij volledig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het hele areaal ligt in het uiterste zuidwesten van Australië, in een handvol reservaten ten oosten van Albany: Two Peoples Bay met Mount Gardner, Mount Manypeaks en Waychinicup. In de negentiende eeuw kwam de soort veel westelijker voor — de typelocatie ligt tussen Perth en Augusta — en na 1889 werd zij niet meer gemeld en voor uitgestorven gehouden. In 1961 werd bij Two Peoples Bay een kleine populatie teruggevonden; de daar geplande stad ging niet door en het gebied werd reservaat. Sindsdien zijn vogels overgebracht naar Bald Island, de Porongurup en Waychinicup, met wisselend gevolg.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Reken op horen en niet op zien. Ga in de winter of het vroege voorjaar, van juni tot oktober, bij het eerste licht naar de paden van Two Peoples Bay en blijf staan; het lied draagt ver, maar de richting is bedrieglijk en lopen helpt niet. Wie de vogel zelf wil zien, moet geluk hebben met een dier dat een pad oversteekt, en dat duurt één seconde. Geluid afspelen om hem te lokken hoort hier niet: het gaat om een bedreigde soort met een klein aantal territoria.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN). De schattingen komen op ongeveer vijftienhonderd vogels, verdeeld over enkele deelgebieden binnen een gebied van nog geen vijftig vierkante kilometer. Brand is de zwaarste bedreiging: één zomerbrand kan een heel deelgebied leegmaken, zoals bij Mount Manypeaks is gebeurd, en de heide heeft daarna tien jaar nodig voor hij weer bewoonbaar is. Daarnaast vallen vossen, verwilderde katten en zwarte ratten vogels aan die zich niet uit de voeten kunnen vliegen.
Wetenschappelijke naam
Atrichornis clamosus | (Gould, 1844)
Gould beschreef de soort in 1844 als Atrichia clamosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De naam Atrichia bleek al vergeven, en Stejneger verving hem in 1885 door Atrichornis, uit Grieks a- (zonder), thrix (haar of borstel) en ornis (vogel): de vogel mist de stijve borstels die verwante families om de snavelbasis dragen. clamosus is Latijn voor 'schreeuwerig'. De typelocatie luidt 'tussen Perth en Augusta, West-Australië'.

