Alle soortenZangvogelsLierstaarten › Liervogel

Liervogel | Menura novaehollandiae

Superb Lyrebird | Ave lira soberbia

De liervogel is een grote bruine bodemvogel van vochtig bos in het zuidoosten, bekend om de lierstaart van het mannetje en om zijn nabootsing. Hij zingt midden in de winter, in juni en juli, wanneer de rest van het bos zwijgt.

Liervogel (Menura novaehollandiae)
Foto: John Manger, CSIRO — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is luid, aanhoudend en vrijwel geheel opgebouwd uit nabootsing: naar schatting zeventig tot tachtig procent van wat een mannetje zingt is het geluid van een andere vogel. In het veld gaat het om soorten uit het eigen bos — de zwartkopzwiepfluiter (Psophodes olivaceus), de kookaburra en de loodsvogel (Pycnoptilus floccosus) — zo nauwkeurig nagedaan dat de nagebootste soorten het verschil vaak niet horen. Daarnaast klinkt eigen zang: blazende fluittonen, een ratelend klik-klak en een schel alarm dat door een heel dal draagt. Tijdens de balts bootst het mannetje geen enkele soort na maar een hele alarmerende vogelgroep tegelijk, en wel op twee momenten: wanneer het vrouwtje wil vertrekken en tijdens de paring. De nabootsing is overlevering — in Sherbrooke Forest deden de vogels de loodsvogel nog decennia na nadat die er verdwenen was. Kettingzagen en camerasluiters horen bij het verhaal maar niet bij het veld: die opnamen komen van vogels in gevangenschap.

Luister: ZangXC1175151

Opname: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Royal National Park, Sutherland Shire Council, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een grote, langgerekte bodemvogel van 80 tot 100 cm, waarvan bij het mannetje meer dan de helft staart is. Het verenkleed is onopvallend: grijsbruin boven, lichter grijs onder, met roodbruine vleugels en zware zwarte poten. De staart van het mannetje draagt twee brede gebogen lierveren en twaalf ijle draadveren, en vormt over de kop geslagen een zilverwitte waaier. Het vrouwtje is korter, rond 86 cm, en heeft een gewone bruine staart; jonge mannetjes zien er jaren zo uit. Hij vliegt zelden en slaapt hoog in een boom.

Verwarrings­soorten

De enige andere lierstaart is de Albertlierstaart (Menura alberti), kleiner, warmer roodbruin en beperkt tot de grens van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales; overlap is er nauwelijks. Vrouwtjes en jonge vogels worden op de bosbodem verward met de boomkalkoen (Alectura lathami), die zwart is met een kale rode kop. Wie alleen de zang hoort moet oppassen: een lierstaart die de zwartkopzwiepfluiter nadoet klinkt als een zwartkopzwiepfluiter, en het verschil zit in de opeenvolging.

Leefgebied

Nat eucalyptusbos met een dichte varenlaag en diepe vochtige strooisellagen in beschutte dalen, en koel gematigd bos met zuidelijke beuk. Ook droger eucalyptusbos en volgroeide bosplantages worden gebruikt, zolang de bodem vochtig blijft en er dekking is. Hij is aan de bodem gebonden: met zware poten harkt hij het strooisel om en verzet daarbij zoveel materiaal dat hij het bos meetbaar verandert. Open, droog en kaal terrein mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Van het zuiden van Victoria noordwaarts langs de Groot Australisch Scheidingsgebergte tot in het zuidoosten van Queensland, in een smalle strook vochtig bos. Tussen 1934 en 1954 zijn vogels in het zuiden van Tasmanië uitgezet; die populatie houdt stand en breidt uit. De soort is uiterst honkvast — een vogel blijft zijn leven lang in hetzelfde dal — zodat gebieden die door bosbrand zijn getroffen, zoals in de zomer van 2019 en 2020, alleen herbevolkt raken vanuit ongebrande stukken in de buurt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in de winter, in juni en juli, bij het eerste licht een vochtig dal in en blijf staan: het mannetje zingt dan urenlang vanaf een van zijn zelfgeharkte aarden hoopjes en is met het oor beter te vinden dan met het oog. Volg het geluid langzaam en blijf op het pad; de vogel loopt weg zodra hij beweging ziet. In Sherbrooke Forest bij Melbourne en in de Blue Mountains bij Sydney is dat een gewone winterochtend.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; over het hele areaal nog algemeen, en in Tasmanië in aantal toegenomen. Vossen en verwilderde katten grijpen vogels op de grond, en de zware bosbranden van 2019 en 2020 troffen een aanzienlijk deel van het areaal. Omdat de vogel zo honkvast is en zo laat volwassen wordt, herstelt een leeggebrand dal traag.

Wetenschappelijke naam

Menura novaehollandiae | Latham, 1801

Latham beschreef de soort in 1801 als Menura novaehollandiae en voerde in hetzelfde werk het geslacht Menura in; auteur en jaartal staan zonder haakjes. Menura is gevormd uit Grieks mene (maan) en oura (staart), naar de lichte, maanvormige vlekken op de staartveren. novaehollandiae betekent 'van Nieuw-Holland', de naam waaronder Australië destijds bekendstond. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales. De Nederlandse naam volgt de Engelse: superb werd 'pracht'.