Alle soortenPinguïnsPinguïns › Schlegels pinguïn

Schlegels pinguïn | Eudyptes schlegeli

Royal Penguin | Pingüino real

Schlegels pinguïn is de grootste kuifpinguïn en broedt alleen op Macquarie-eiland, waar de kolonies tot ver in de valleien doorlopen. Hij is op één kenmerk van al zijn verwanten te scheiden: het gezicht en de kin zijn wit tot bleekgrijs in plaats van zwart, zodat de enorme oranje snavel en de oranjegele kuiven op een licht vlak liggen.

Schlegels pinguïn (Eudyptes schlegeli)
Foto: Mark Fraser — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie klinkt een diepe, kloppende balk of trompetstoot die het paar met opgeheven kop en gespreide flippers in duet uitvoert en die over de hele valleibodem draagt — een kolonie van tienduizenden is kilometers ver te horen. Als contactroep geven vogels op zee en bij het aanlanden een korte blaf. Jongen bedelen met een schril, aanhoudend gepiep.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

De grootste van de kuifpinguïns, vijfenzestig tot vijfenzeventig centimeter en vier tot acht kilo, met blauwzwarte bovendelen en zijdewitte onderdelen. Het gezicht, de wang en de kin zijn wit tot bleekgrijs, wat hem van elke andere kuifpinguïn in dit gebied scheidt. Vanaf het voorhoofd lopen lange, sierlijke oranjegele kuifveren die op het midden van het voorhoofd samenkomen en naar opzij en achteren afhangen. De snavel is fors en oranje met opvallend roze kale huid aan de basis. Jonge vogels hebben een veel kortere kuif, een donkerder snavel en een minder helder wit gezicht.

Verwarrings­soorten

De macaronipinguïn (Eudyptes chrysolophus) is de enige echte verwarringssoort en verschilt in precies één kenmerk: een zwart gezicht en een zwarte kin. De twee kruisen op Macquarie-eiland, zodat daar vogels met een tussenliggend, grijsgevlekt gezicht voorkomen; bij zo'n vogel is de determinatie niet met zekerheid te sluiten en dat mag zo gezegd worden. Van de kuifpinguïns die binnen dit kaartvenster broeden is deze het grootst: de beide Grote kuifpinguïns (Eudyptes robustus en Eudyptes sclateri) en de fjordland-kuifpinguïn (Eudyptes pachyrhynchus) hebben alle een zwart gezicht en een kortere kuif, en de westelijke rotspinguïn (Eudyptes filholi), die op Macquarie naast hem broedt, is niet half zo zwaar met een dunne, evenwijdige gele streep. In het Spaans liggen pingüino real (deze soort) en pingüino rey (de koningspinguïn, Aptenodytes patagonicus) dicht bijeen; de koningspinguïn is met bijna een meter veel groter, heeft geen kuif en draagt oranje oorvlekken.

Leefgebied

Subantarctische zee rond het eiland, waar de vogels op kril, lantaarnvis en inktvis duiken en in de broedtijd tot honderden kilometers ver foerageren. De kolonies liggen op de strandvlakten en in de beekdalen van Macquarie, vaak vanaf de vloedlijn een flink eind het dal in en tot hoog op de hellingen; het nest is een ondiepe kuil tussen keien en poa-tussock. Het aantal vogels bij elkaar is zo groot dat het terrein er kaalgelopen bij ligt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Alleen Macquarie-eiland en de nabije rotsjes Bishop and Clerk — daarmee valt de hele wereldpopulatie binnen dit kaartvenster, in Australisch gebied dat vanuit Tasmanië wordt bestuurd. Buiten de broedtijd trekken de vogels ver de zuidelijke oceaan op. In Nieuw-Zeeland is hij dwaalgast, met gevallen vanaf de subantarctische eilanden en Otago tot noordelijk aan toe bij Napier, en ook op Tasmaanse en zuid-Australische stranden verschijnt af en toe een ruiende vogel.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De vaste plek is de vlakte bij Sandy Bay op Macquarie-eiland, waar een vlonderpad langs de kolonie loopt en waar hij samen met de ezelspinguïn en de koningspinguïn te zien is; subantarctische reizen doen het eiland tussen november en februari aan. Bij een pinguïn op een strand elders geldt één vraag: is het gezicht wit of zwart? Wit maakt het deze soort, zwart maakt het een andere kuifpinguïn of een macaronipinguïn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met tegenwoordig in de orde van achthonderdvijftigduizend broedparen. Dat is een herstel: tussen 1870 en 1919 werden er gemiddeld honderdvijftigduizend vogels per jaar gekookt voor traan, en de stand was voordien op ongeveer drie miljoen vogels geschat. Sinds de uitroeiing van konijnen, ratten, muizen en katten — Macquarie-eiland is sinds 2014 ongediertevrij — herstelt de begroeiing van de kolonieterreinen zich. Wat blijft, is de kwetsbaarheid van een soort die maar op één eiland broedt: een olieramp of een ziekte-uitbraak zou de hele wereldpopulatie raken.

Wetenschappelijke naam

Eudyptes schlegeli | Finsch, 1876

De Duitse ornitholoog Otto Finsch beschreef de soort in 1876 als Eudyptes schlegeli, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het epitheton eert Hermann Schlegel, de in Duitsland geboren zoöloog die decennialang directeur was van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden — vandaar de Nederlandse naam. Het geslacht Eudyptes is van Vieillot, 1816, van het Griekse eu, 'goed', en dyptes, 'duiker'. De typelocatie is Macquarie-eiland. Of de vogel een eigen soort is dan wel een witwangige vorm van de macaronipinguïn, is nog altijd onderwerp van discussie; deze gids volgt AviList en houdt hem apart.