Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Spitskuifduif
Spitskuifduif | Ocyphaps lophotes
Crested Pigeon | Paloma bronce crestada
De spitskuifduif is de duif met de zwarte breinaald op de kop: een gedrongen, grijsbruine vogel met een dunne, rechtopstaande kuif, een oranjerood oogring en een vleugel vol zwarte banden en groenpaarse glans. Het merkwaardigste zit niet in het verenkleed maar in het geluid van zijn vleugels — bij het opvliegen fluit hij, en dat gefluit blijkt een alarmsignaal voor soortgenoten te zijn.
Geluid
De eigenlijke roep is zacht en gemakkelijk te missen: een kort, laag oewoep, herhaald vanaf een draad of een kale tak, met een dieper gekreun bij de balts. Het geluid waaraan je hem echt kent is mechanisch: bij het opvliegen maakt de sterk versmalde achtste handpen een schril, ritmisch tsjief-tsjief-tsjief dat met de vleugelslag meeloopt. Vliegt een vogel geschrokken op, dan klinkt dat gefluit sneller, en de rest van de groep gaat er onmiddellijk van mee.
Opname: Peter Russell — CC BY-SA 4.0 · Cooya Pooya, Shire of Roebourne, Western Australia, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een compacte duif van 30 tot 35 cm, overwegend grijsbruin met een roze waas over borst en buik en een lange, spitse staart. De rechtopstaande, dunne zwarte kuif is uniek onder de duiven van bewoond Australië. Over de vleugel lopen fijne zwarte dwarsbanden, en op de armpennen ligt een groen tot paars glanzend veld dat pas in de zon oplicht; rond het oog zit een oranjerode ring. Bij de landing klapt de staart omhoog en buigt de vogel voorover, een houding die hem op afstand al verraadt.
Verwarringssoorten
De bronsvleugelduif (Phaps chalcoptera) heeft dezelfde glanzende vleugelvelden maar mist de kuif en is forser en donkerder. De duif van het spinifexland (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland), Geophaps plumifera, heeft eveneens een spitse kuif, maar is roodbruin, veel kleiner en gebonden aan rotsige woestijn in het binnenland. De rotsduif (Columba livia) deelt de stadsstraat met hem maar is kortstaartig, kuifloos en zwaarder gebouwd; het vleugelgefluit sluit elke verwisseling meteen uit.
Leefgebied
Licht beboomd grasland is zijn maat: open eucalyptusbos, mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) met open plekken, graanakkers, wegbermen, sportvelden, tuinen en stadsparken. Hij mijdt dicht bos en moet elke dag drinken, zodat hij zelden ver van water zit — een veedam, een boorput of een vijver volstaat. Voedsel, vrijwel uitsluitend zaad, zoekt hij lopend op kale grond; het nest is een dunne takkenschotel in een lage boom of struik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over vrijwel het hele Australische vasteland, met uitzondering van Tasmanië, het gesloten regenwoud en de natste kuststroken. Van oorsprong is hij vooral een vogel van het droge binnenland; met de graanbouw, de veedammen en de aanplant in de steden is hij naar alle kanten opgerukt en zit hij nu tot in de binnensteden van Sydney, Melbourne en Perth. Trekken doet hij niet, maar in een droogte verschuiven groepen naar plekken waar nog water is.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Laat je oren het werk doen: het schrille, ritmische gefluit van een opvliegende vogel is over grote afstand hoorbaar en is met niets anders te verwarren. Zoek hem daarna op een draad of een kaal takje langs een landweg, want hij zit graag hoog en vrij. Ga tegen het eind van de middag bij een veedam of een drinkbak zitten; dan komen groepen op vaste tijden drinken en is de vleugelglans in laag licht op zijn mooist.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en een van de duidelijkste winnaars van de Europese landbouw in Australië: graan, permanent drinkwater en open, gemaaid gras hebben hem uit het binnenland tot aan beide kusten gebracht. Hij is talrijk, breidt nog steeds uit en heeft geen bekende bedreiging van betekenis; verkeer en huiskatten kosten in de stad vogels, maar niet op een schaal die telt.
Wetenschappelijke naam
Ocyphaps lophotes | (Temminck, 1822)
Temminck beschreef de vogel in 1822 als Columba lophotes; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ocyphaps werd in 1842 ingevoerd door G. R. Gray en is gevormd uit het Griekse ōkys, 'snel', en phaps, 'duif' — naar de snelle, schietende vlucht. lophotes gaat terug op lophos, 'kuif'. De typelocatie is Nieuw-Holland, later opgevat als Nieuw-Zuid-Wales.



