Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Witvleugelkwartelduif
Witvleugelkwartelduif | Petrophassa albipennis
White-quilled Rock Pigeon | Paloma roquera aliblanca
De witvleugelkwartelduif is de rotsduif van de Kimberley: een gedrongen, aardbruine vogel die zich op zandsteen volledig laat verdwijnen en zich pas verraadt wanneer hij met een hard klapperend geraas opvliegt en een helder wit veld in de vleugel laat zien. Hij loopt over kale rotsblokken met het lijf laag en de vleugels iets hangend, meer als een patrijs dan als een duif.
Geluid
Een laag, gedempt koeren, meestal in een korte reeks en op enige afstand al niet meer te horen. In de vlucht maken de vleugels een snorrend, klapperend geluid dat vroege waarnemers met dat van een patrijs vergeleken; dat geraas is in het veld het bruikbaarste kenmerk, want het klinkt vaak voordat je de vogel ziet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een stevige duif van bijna dertig centimeter, middenbruin tot roodbruin en over het hele lijf fijn gemarmerd, wat op verweerde zandsteen perfect camoufleert. Over het gezicht loopt vanaf de snavelbasis een bleke streep die boven en achter het oog omkrult; op kin en voorhoofd zitten witte vlekjes. Het beslissende kenmerk verschijnt pas in de vlucht: een groot wit veld in de handpennen. Vogels van de ondersoort boothi uit de Stokes Range hebben dat veld sterk gereduceerd of missen het zelfs.
Verwarringssoorten
De roodvleugelkwartelduif (Petrophassa rufipennis) is de spiegelsoort: gelijke bouw, gelijk gedrag en gelijke klapperende vlucht, maar donkerder roetbruin en met een kastanjebruin in plaats van wit vleugelveld. Het areaal scheidt ze volledig — deze soort zit in de Kimberley en rond de Victoria River, de andere op het plateau van Arnhemland en in Kakadu, en er is geen overlap. Let wel op de ondersoort boothi, die nauwelijks wit in de vleugel heeft: een donkere rotsduif zonder duidelijk vleugelveld in de Stokes Range is toch deze soort. De spinifexduif (Geophaps plumifera) leeft in hetzelfde rotsige terrein maar is kleiner, feller roodbruin gebandeerd en heeft een kuif en een rood gezicht.
Leefgebied
Rotsig terrein bij uitstek: zandsteenkloven, escarpments en verweerde blokkenvelden, met daartussen gras, spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) en verspreide struiken. Om te foerageren zakt hij af naar grazig eucalyptusbos en naar zandige plekken aan de voet van de rotsen, maar bij het minste onraad vliegt hij terug omhoog. Poelen in de kloven leveren het water dat hij dagelijks nodig heeft.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in tropisch Noord-Australië, van de Kimberley in West-Australië — ruwweg van Oobagooma en Derby tot Kununurra en de Ord — oostwaarts tot in het noordwesten van het Noordelijk Territorium, tot aan het Victoria River-gebied en de bovenloop van de Flora River. De ondersoort boothi zit afgezonderd ten zuidoosten daarvan, van de Stokes Range tot Waterloo Station. Verder komt hij nergens voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De klassieke plek is het steilrand achter de Victoria River Roadhouse aan de Victoria Highway: loop het pad omhoog in het eerste licht en scan de rotsranden en de richels langs het pad. Hij zit vaak pal op een uitstekende steen met het lijf horizontaal, en beweegt pas als je te dichtbij komt; het klapperende opvliegen is dan het signaal. Windjana Gorge en de andere kloven van de Kimberley geven dezelfde kans, steeds vroeg op de dag.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) volgens de wereldlijst, met een ruim areaal in dunbevolkt rotsland; in het Noordelijk Territorium wordt hij wel als gevoelig (NT) beschouwd. Zijn terrein is ontoegankelijk en grotendeels ongeschikt voor vee, wat hem beschermt, maar veranderde brandregimes en het oprukken van grof ingevoerd gras zoals gambagras tasten de zaadvoorraad aan de voet van de kliffen aan.
Wetenschappelijke naam
Petrophassa albipennis | Gould, 1841
Gould beschreef de soort in 1841 en plaatste haar meteen in een nieuw geslacht, Petrophassa, waarvan zij de typesoort is; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. De geslachtsnaam komt van het Griekse petros, 'rots', en phassa, 'wilde duif' — precies wat de vogel is. albipennis is Latijn: albus, 'wit', en penna, 'veer', naar het witte vleugelveld. Het type kwam van de noordkust en wordt tegenwoordig aan de monding van de Victoria River toegeschreven; de tweede ondersoort boothi werd in 1969 door Goodwin benoemd, naar de Stokes Range.


