Alle soortenZangvogelsHoningeters › Toei

Toei | Prosthemadera novaeseelandiae

Tui | Tui

De toei is de grote honingeter van Nieuw-Zeeland: op afstand zwart, van dichtbij een vogel van blauwgroene en bronzen weerschijn, met twee gekrulde witte veerkwastjes onder de keel. Hij is luidruchtig, jaagt andere vogels van bloeiende bomen weg en zit in vrijwel elke tuin met kowhai of pohutukawa.

Toei (Prosthemadera novaeseelandiae)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, ongeordende mengeling van heldere fluittonen, klokkende noten, hoesten, grommen en klikken, waarbij een strofe halverwege kan afbreken zonder dat er iets volgt — de vogel zingt door in tonen die voor mensen nauwelijks hoorbaar zijn. Even kenmerkend is het geluid van de vlucht: de vleugels maken een luid gonzend geruis dat hem verraadt voordat hij in zicht komt.

Luister: ZangXC915121

Opname: craig wilson — CC BY 4.0 · Granity, Buller District, West Coast Region, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Dertig centimeter, fors gebouwd, met licht gebogen zwarte snavel en lange staart. Het verenkleed lijkt zwart maar toont in goed licht groenblauwe en bronzen glans, met een fijne witte veterkraag in de nek. De twee kenmerken die op afstand werken zijn de witte kwastjes onder de keel — de poi — en de witte schouderstreep, die in de vlucht meteen opvalt. Man en vrouw zijn gelijk gekleurd; het mannetje is zwaarder, rond 125 gram tegen 90.

Verwarrings­soorten

De korimako of belvogel (Anthornis melanura) is de enige echte verwarringssoort: veel kleiner, olijfgroen, met een rode iris en zonder witte keelkwastjes. In silhouet en vlucht lijkt een tui op een spreeuw of een merel, allebei in Nieuw-Zeeland gevestigde exoten, maar het gonzen van de vleugels en de witte schouderstreep sluiten die uit. De toei van de Chathams (Prosthemadera novaeseelandiae chathamensis) is duidelijk groter en zwaarder en komt alleen daar voor.

Leefgebied

Inheems podocarpen-loofbos en kauribos, en verder overal waar in de loop van het jaar iets bloeit: manuka- en matagouristruweel, bosranden, boerentuinen, stadsparken en straatbomen. Hij volgt de bloei en de honingdauw en legt daarvoor tientallen kilometers af, ook tussen laagland en bergland. Alleen in het droge, open land ten oosten van de Zuidelijke Alpen is hij schaars.

Verspreiding en trek

Over het Noorder- en Zuidereiland, Stewarteiland en vrijwel alle offshore-eilanden, met een eigen ondersoort op de Chathams. Na de ontbossing van de negentiende eeuw is hij uit grote delen van het laagland verdwenen, maar de laatste decennia in steden juist toegenomen doordat inheemse bloeiende bomen zijn aangeplant en ratten en possums in stadsreservaten worden bestreden. Hij trekt niet in de gewone zin, maar zwerft seizoensmatig achter de bloei aan: dezelfde tuin kan de ene winter vol tuis zitten en de volgende leeg zijn.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek de bloei en niet de vogel: een bloeiende kowhai in september of een pohutukawa rond de jaarwisseling levert in een half uur meer tuis op dan een ochtend in het bos. Hij zit hoog en zingt vanaf een kale tak boven de kruin; luister naar het gonzen van de vleugels wanneer hij een andere honingeter uit de boom jaagt. In de wintermaanden juni en juli komt hij dagelijks af op de suikerwaterbakjes in tuinen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; op het vasteland algemeen en over het hele areaal stabiel tot toenemend. De ondersoort van de Chathams staat er anders voor: die geldt daar als nationaal kwetsbaar en telt enkele honderden vogels. Ratten, hermelijnen en possums roven nesten leeg; waar die worden bestreden, neemt de toei binnen enkele jaren merkbaar toe.

Wetenschappelijke naam

Prosthemadera novaeseelandiae | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Merops novaeseelandiae, bij de bijeneters; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gray voerde het geslacht Prosthemadera in 1840 in, uit Grieks prosthema (aanhangsel) en dere (hals), naar de keelkwastjes. De typelocatie is Queen Charlotte Sound op het Zuidereiland. De naam tui is Māori en is in alle drie de talen onveranderd overgenomen; oudere Engelse boeken noemen hem parson bird.