Alle soortenZangvogelsSpreeuwen › Treurmaina

Treurmaina | Acridotheres tristis

Common Myna | Miná común

De treurmaina is de vogel van de Australische stad geworden: bruin met een zwarte kap, felgele snavel en poten en een naakte gele vlek achter het oog, brutaal, luidruchtig en overal waar mensen wonen. Hij is hier tweemaal losgelaten, rond 1862 in Melbourne en in 1883 in de rietvelden van Queensland, en hoort tegenwoordig bij de honderd ergste invasieve soorten ter wereld.

Treurmaina (Acridotheres tristis)
Foto: Summerdrought — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De territoriumroep is een luid, ver dragend tsjok-ork tsjok-ork, uitgestoten vanaf een lantaarnpaal of nokrand terwijl de vogel met de kop knikt. Daaromheen ligt een voorraad grommen, krassen, hoge piepjes en belachtige tonen die eindeloos aaneen worden geregen. Voor het invallen op de slaapplaats maakt een groep een collectief kabaal dat straten ver te horen is; bij ruzie klinkt een rauw, schel gekrijs.

Luister: ZangXC1003188

Opname: Ujjal Kishor De — CC BY-SA 4.0 · Kumarghat, Unakoti Tripura, PRTI, India · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen bruine vogel van drie- tot zesentwintig centimeter, met een glanzend zwarte kop, hals en borst die scherp tegen het wijnbruine lichaam afsteken, en met een felgele snavel, gele poten en een kale gele huidvlek achter het oog. In de vlucht springt een groot wit veld in de handpennen eruit, en de staart heeft brede witte punten. Man en vrouw zijn gelijk. Jonge vogels zijn valer, met een bruinere kap, een bleekgele snavel en aanvankelijk witachtige huid om het oog. Hij loopt met korte, doelbewuste passen.

Verwarrings­soorten

De tuinhoningeter (Manorina melanocephala) is de grote valstrik en heet in het Engels bijna hetzelfde: die is grijs in plaats van bruin, inheems, en heeft eveneens een gele snavel en gele huid rond het oog, maar mist de zwarte kap en het witte vleugelveld. De witstuithoningeter (Manorina flavigula) van het droge binnenland is nog bleker. De spreeuw (Sturnus vulgaris) is kleiner, zwart en gespikkeld, en heeft geen wit in de vleugel.

Leefgebied

Stad en dorp, tuinen en parken, akkerland en boomgaard, vuilstort en rioolwaterbekken, en verder elke plek waar gemorst voedsel ligt: schoolpleinen, terrassen, parkeerterreinen, veevoerbakken. Hij nestelt in daken, spouwmuren, plafonds, straatverlichting en boomholten. Gesloten inheems bos gebruikt hij vrijwel niet, wel de randen ervan langs wegen en bebouwing.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In Australië langs de oost- en zuidoostkust, met het zwaartepunt rond Sydney, Brisbane, Canberra en Melbourne en losse bevolkingen in Queensland; hij spreidt zich uit langs wegen en bewoning en niet door het bos. In Nieuw-Zeeland alleen op het Noordereiland en de eilanden daarvoor, ten noorden van ongeveer veertig graden zuiderbreedte — grofweg de lijn Marton–Waipukurau — met de hoogste dichtheden in Northland. De volcanic plateau en de grote bossen zijn leeg.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in de ochtend op een parkeerterrein of bij een terras zitten en kijk hoe een paartje het terrein afwerkt; treurmaina's blijven levenslang bij elkaar en foerageren bijna altijd met zijn tweeën. Wil je het verschil met de tuinhoningeter inslijpen, kijk dan naar de vlucht: alleen de maina laat een groot wit vleugelveld zien. In de schemering wijst het kabaal je de slaapboom aan.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en hier is de vraag alleen wat hij aanricht. Hij bezet nestholten en verdrijft daar rozella's, kookaburra's en zelfs roze kaketoes uit, en vernielt daarbij eieren en jongen; in Australische enquêtes is hij meermalen als ergste vogelplaag aangewezen. Gemeenten en vrijwilligersgroepen vangen hem met kooivallen, met plaatselijk succes maar zonder blijvend effect op de totale aantallen. In Nieuw-Zeeland valt de aangetoonde schade aan inheemse vogels lager uit dan lang werd aangenomen.

Wetenschappelijke naam

Acridotheres tristis | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de vogel in 1766 als Paradisea tristis, bij de paradijsvogels; omdat hij later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acridotheres werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, naar het Griekse akris, 'sprinkhaan', en theras, 'jager'. tristis is Latijn voor 'droevig' of 'somber', naar de doffe kleur — vandaar ook de Nederlandse naam. De typelocatie is Pondicherry in zuidelijk India.