Alle soorten › Zangvogels › Brilvogels › Dunsnavelbrilvogel

Dunsnavelbrilvogel | Zosterops tenuirostris

Slender-billed White-Eye | Anteojitos picofino

De dunsnavelbrilvogel leeft op één eiland en nergens anders: Norfolk, een vulkanische stip van vijfendertig vierkante kilometer in de Tasmanzee. Van de brilvogels is hij de langsnavelige uitzondering, met een fijne, licht neerwaarts gebogen snavel waarmee hij in bast, mos en dode bladbundels peutert in plaats van bloemen af te werken. Zijn hele wereldpopulatie hangt aan het restje inheems bos van het nationale park, en hij deelt dat bos met een brilvogel die er uit zichzelf is komen wonen en op dezelfde plekken foerageert.

Dunsnavelbrilvogel (Zosterops tenuirostris)
Foto: Richard Fuller — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, ijl en wat weemoedig gekwetter, opgebouwd uit dunne, hoge tonen die zonder duidelijke opbouw in elkaar overlopen; het is minder luid en minder koperig dan het gezang van de grijsrugbrilvogel waarmee de soort het bos deelt. De gewone contactroep is een fijn, opgaand tsie, vaak in tweeën of drieën herhaald terwijl een groepje zich door de kroonlaag werkt. Omdat de twee brilvogels van het eiland qua geluid dicht bij elkaar liggen en beide in dezelfde bomen zitten, is het geluid voor de determinatie hooguit een aanwijzing en geen bewijs; wie zeker wil zijn moet de vogel zien en op de snavel letten. In de vroege ochtend, wanneer de groepen zich verzamelen, is het gezang het best te horen.

Luister: RoepXC431052

Opname: Eric S. J. Tan — CC BY-NC-SA 4.0 · Palm Glen, Norfolk Island National Park, Norfolk Island, South Pacific , Australia · xeno-canto

Herkenning

Dertien tot veertien centimeter, en daarmee duidelijk groter en forser dan de andere brilvogel van Norfolk. De bovendelen zijn olijfgroen, het meest verzadigd op kruin en stuit; de onderdelen zijn bleek grijswit, aan de flanken hoogstens vaag grijs getint en zonder enig beige of kastanjebruin. Rond het oog loopt een smalle, scherp afgetekende ring van korte witte veertjes. Het kenmerk waar alles om draait is de snavel: lang, fijn, spits en licht neerwaarts gebogen, donker van kleur, en naar verhouding zichtbaar langer dan bij elke andere brilvogel in deze gids. Ook de poten zijn stevig en lang. De vogel foerageert klimmend en tastend langs stammen, takken en mosbundels, vaak ondersteboven hangend, en werkt daarbij langzamer en systematischer een boom af dan zijn buurman. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels hebben een smallere oogring.

Verwarrings­soorten

De grijsrugbrilvogel (Zosterops lateralis) is de enige echte verwarringssoort en zit in dezelfde bomen: die is kleiner, heeft een veel kortere en rechtere snavel, een grijze rug die tegen de groene kop en vleugel afsteekt, en beige tot kastanjebruine flanken — juist de flankkleur die de dunsnavelbrilvogel niet heeft. Op Norfolk zitten bovendien twee vormen van die soort door elkaar, een gevestigde en een uit Tasmanië overwinterende, wat het beeld nog wisselvalliger maakt. De citroenbrilvogel (Zosterops citrinella) en de mangrovebrilvogel (Zosterops luteus) komen op Norfolk niet voor en spelen hier dus geen rol. Wie oude literatuur of oude waarnemingen van het eiland leest moet rekening houden met Zosterops albogularis, een derde, grotere brilvogel met een helderwitte borst die op Norfolk voorkwam en sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw niet meer met zekerheid is vastgesteld; die soort is om die reden niet in deze gids opgenomen. In het veld geldt: is de snavel lang, fijn en gebogen en ontbreekt bruin op de flank, dan is het de dunsnavelbrilvogel.

Leefgebied

Het inheemse bos van Norfolk: de subtropische regenwoudresten op de hellingen van Mount Pitt en Mount Bates binnen het nationale park, met norfolkden, palmen, boomvarens en een dichte laag epifyten en mos waarin de vogel zijn voedsel zoekt. Juist die mossige bast en de bundels dode bladeren die in de kronen blijven hangen zijn het werkterrein van de lange snavel. Buiten het aaneengesloten bos komt de soort in kleiner aantal voor in herstelde beplantingen, erfbeplanting met inheemse bomen en oude tuinen aan de rand van het park, maar de dichtheden liggen daar lager en het zwaartepunt ligt onmiskenbaar in het oude bos. Terrein dat door uitheemse struiken als de kerseguave is dichtgegroeid levert veel minder op.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Uitsluitend Norfolk, het eiland ten oosten van Australië, en daarbinnen vrijwel geheel beperkt tot de paar honderd hectare inheems bos van het nationale park en de directe omgeving daarvan; de soort is niet van Phillip Island of Nepean Island bekend als broedvogel. Er is geen trek en er zijn geen verplaatsingen van betekenis: de vogel blijft het hele jaar in hetzelfde bos en groepjes doen in het niet-broedseizoen hooguit een ruimere ronde. Een wereldareaal van deze omvang betekent dat elke storm, elke brand en elke nieuwe roofdier- of plantensoort op het eiland de hele soort tegelijk raakt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga het nationale park in en loop de paden door het oude bos, bij voorkeur in de eerste uren na zonsopgang wanneer de gemengde groepjes het meest bewegen. Kijk niet naar de kleur maar naar de snavel: op tien meter is het verschil met de grijsrugbrilvogel onmiddellijk te zien, op vijftig meter niet meer. Let op de manier van foerageren, want die verraadt de soort al voordat de snavel te zien is: langzaam klimmend langs mossige stammen en takken, vaak hangend aan de onderkant, in plaats van snel en onrustig door het bladerdek. Groepjes zijn luidruchtig genoeg om op te sporen en blijven vaak minutenlang in dezelfde boom.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU), en die status berust vrijwel geheel op de omvang van het areaal: de hele soort leeft op enkele honderden hectaren bos op één eiland, en dat maakt haar gevoelig voor gebeurtenissen die elders lokaal zouden blijven. De concrete bedreigingen zijn bekend. Zwarte ratten plunderen nesten. Uitheemse struiken, in het bijzonder de kerseguave, groeien de ondergroei dicht en verdringen de inheemse bomen waarvan de mossige bast het foerageerterrein vormt. Cyclonen kunnen in één nacht een aanzienlijk deel van het kronendak openbreken. Daarbovenop komt de grijsrugbrilvogel, die zich rond het begin van de twintigste eeuw uit zichzelf op het eiland vestigde, zich in aantal ver boven de inheemse soort heeft uitgewerkt en in dezelfde bomen naar hetzelfde voedsel zoekt; de langere snavel geeft de dunsnavelbrilvogel daarbij wel een eigen nis, maar niet noodzakelijk genoeg ruimte. Het beheer draait om drie dingen: rattenbestrijding, het terugdringen van uitheemse planten in het park, en het vergroten van het bosoppervlak door herbeplanting met inheemse soorten rond de bestaande kern.

Wetenschappelijke naam

Zosterops tenuirostris | Gould, 1837

Gould beschreef de vogel in 1837; omdat de soort nog steeds in het geslacht staat waarin zij is beschreven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het etiket bij het type vermeldde de Murrumbidgee in Nieuw-Zuid-Wales, wat een vergissing was: de vogel komt uitsluitend van Norfolk, en de typelocatie is later dienovereenkomstig verbeterd. Het epitheton tenuirostris is gevormd uit het Latijnse tenuis, 'dun, slank', en rostrum, 'snavel', en benoemt daarmee precies het kenmerk waarop de soort in het veld wordt herkend. Het geslacht Zosterops werd in 1827 door Vigors en Horsfield ingevoerd, naar het Griekse zoster, 'gordel', en ops, 'oog', naar de witte ring rond het oog die de hele familie draagt. De Nederlandse naam dunsnavelbrilvogel, de Engelse Slender-billed White-Eye en de Spaanse anteojitos picofino vertalen alle drie hetzelfde kenmerk.