Alle soortenZangvogelsHoningeters › Tuinhoningeter

Tuinhoningeter | Manorina melanocephala

Noisy Miner | Mielero chillón

De tuinhoningeter is de grijze honingeter met het zwarte masker en de gele snavel die in oostelijk Australië elke straat, elk park en elke gedunde bosrand bezet houdt. Hij leeft in kolonies van tientallen tot honderden vogels die samen alles wegjagen wat hun gebied binnenkomt — van een brilvogeltje tot een wigstaartarend. Een inheemse soort die door de mens een natuurbeschermingsprobleem is geworden.

Tuinhoningeter (Manorina melanocephala)
Foto: Alex Proimos — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De hele dag door klinkt een luid, doordringend pwie-pwie-pwie, en bij onraad een snel pijpend pie-pie-pie dat binnen enkele seconden de hele kolonie op de been brengt. Het repertoire is groot: keffende scheldnoten, roestige gierende tonen, korte contactroepjes tussen vogels die vlak bij elkaar zitten. Van rust is in een kolonie eigenlijk nooit sprake.

Luister: RoepXC459075

Opname: James Ray — CC BY-SA 4.0 · Bronte, Waverley Council, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een forse honingeter van 24 tot 29 centimeter, gelijkmatig grijs, met een zwarte kruin en zwarte wangen, een gele snavel en gele poten. Achter het oog ligt een kale, gele huidvlek die van dichtbij opvalt. De vleugel toont een olijfgele vlek, de staart heeft witte punten en het voorhoofd is bleek. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn bruinig grijs met een doffer masker.

Verwarrings­soorten

De witstuithoningeter (Manorina flavigula) van het drogere binnenland heeft een grijze kruin en een witte stuit die in de vlucht oplicht. De belhoningeter (M. melanophrys) is kleiner en olijfgroen, roept een enkel metalen tink en zit in vochtige gullies. De zwartoorhoningeter (M. melanotis) van de mallee is zeldzaam en donkerder van masker. De uitheemse treurmaina lijkt oppervlakkig maar is bruin met witte vleugelvlekken en een spreeuwachtige.

Leefgebied

Droog eucalyptusbos met een open, kale ondergroei is het oorspronkelijke leefgebied; daar komen inmiddels tuinen, stadsparken, sportvelden, wegbermen, windsingels op boerenland en de randen van elk versnipperd bosje bij. Wat hij nodig heeft is een bomenlaag zonder struiken eronder — precies wat vee, brand, maaien en tuinaanleg overal opleveren. Gesloten bos met dichte onderlaag mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Oostelijk en zuidoostelijk Australië, van noordelijk Queensland langs de kust en het achterland tot zuidoostelijk Zuid-Australië, en op Tasmanië. Vier ondersoorten. Het gebied is de laatste eeuw fors gegroeid en vooral dichter bezet: door ontginning, dunning en beplante voorsteden is de soort in grote delen van het zuidoosten de talrijkste vogel geworden. Trekken doet hij niet; een kolonie blijft waar ze zit.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wie in oostelijk Australië kleine bosvogels zoekt, moet juist buiten het gebied van deze soort lopen: waar de kolonie zit, zijn honingeters, doornsnavels en elfjes verdwenen. Let op de sociale bouw — vaste groepjes van tien tot vijfentwintig vogels binnen de kolonie — en op het gezamenlijke uitrukken zodra één vogel alarm slaat.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in aantal toegenomen. Het probleem loopt de andere kant op: het agressief verdrijven van andere vogels door te talrijke tuinhoningeters staat sinds 2014 als bedreigend proces op de Australische natuurwetgeving (EPBC Act). Onderzoekers noemen de soort een omgekeerde sleutelsoort, omdat haar aanwezigheid in versnipperd woodland de vogelrijkdom aantoonbaar wegdrukt.

Wetenschappelijke naam

Manorina melanocephala | (Latham, 1801)

Latham beschreef de soort in 1801 als Gracula melanocephala, bij de beo's; door de verhuizing staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Manorina werd in 1818 ingevoerd door Vieillot, uit het Griekse manos, 'dun, los', en rhis, 'neusgat', naar de opengewerkte neusopening. melanocephala betekent 'zwartkoppig', uit melas, 'zwart', en kephalē, 'kop'.