Alle soorten › Zangvogels › Waaierstaarten › Tuinwaaierstaart
Tuinwaaierstaart | Rhipidura leucophrys
Willie Wagtail | Abanico lavandera
De tuinwaaierstaart is de bekendste kleine vogel van Australië: zwart met een witte buik en een witte wenkbrauw, altijd in beweging, en zo brutaal dat hij wigstaartarenden en kraaien van zijn erf jaagt. Hij loopt achter het vee aan om opgejaagde vliegen te vangen, danst met gespreide staart over een gazon en zingt in het maanlicht de halve nacht door.
Geluid
Het alarm is een snel ratelend tsjit-tsjit-tsjit-tsjit, vergeleken met een kinderratel of met de tandwielen van een molentje, en het klinkt zodra iemand te dicht bij het nest komt. Daarnaast een vrolijk, huppelend zinnetje van vijf lettergrepen dat generaties Australiërs als sweet pretty little creature hebben gehoord. In de broedtijd zingen mannetjes ook 's nachts, en hoe meer maan er staat, hoe harder.
Opname: Rob Nicholson — CC BY 4.0 · Goondiwindi Botanic Gardens, Goondiwindi, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een slanke zwart-witte vogel van 18 tot 22 centimeter, waarvan tien tot elf centimeter staart. Kop, keel, borst, rug, vleugels en staart zijn glanzend zwart, de buik en de onderstaartdekveren zuiver wit. Boven het oog staat een duidelijke witte wenkbrauwstreep, en op de wang staan witte snorstrepen; bij opwinding worden die brede witte tekens groter. Snavel, poten en oog zijn donker. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer met bruinige tinten en een vage wenkbrauw.
Verwarringssoorten
De zwartkopvliegenvanger (Melanodryas cucullata) is korter van staart, heeft een witte vleugelstreep en mist de witte wenkbrauw. De grijsstuittriller (Lalage tricolor) is grijzer op de stuit, heeft een witte vleugelstreep en een wit wenkbrauwstreepje dat verder naar achteren doorloopt, en zit hoog in bomen in plaats van laag. De grote witkeelmonarch (Myiagra inquieta) heeft een witte keel in plaats van een zwarte borst en trilt met de staart in plaats van hem zijwaarts te zwaaien.
Leefgebied
Vrijwel elk open terrein met wat bomen: eucalyptuswoodland en savanne, weiland en veeteeltgebied, oevers van kreken en moerassen, en verder tuinen, parken, sportvelden en stadsranden. Dichte natte bossen en regenwoud mijdt hij. Hij heeft open grond nodig om op te jagen en een lage tak om vanaf te werken; een schuur, een hek of een grazende koe voldoet even goed als een boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het hele Australische vasteland, met daarnaast Nieuw-Guinea, de Salomonseilanden, de Bismarck-archipel en de oostelijke Molukken. Op Tasmanië is hij dwaalgast, net als op Lord Howe; in 2002 is hij zelfs eenmaal op de Chathameilanden opgedoken. In het zuidoosten is hij standvogel, maar in het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales en zuidoostelijk Queensland komen er in de winter, in juni en juli, vogels bij.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Je hoeft hem niet te zoeken; hij komt naar je toe. Ga bij een paardenwei of een picknickplaats staan en wacht tot hij op een hekpaal landt en zijn staart zijwaarts begint te zwaaien. Wie hem hoort ratelen kan het spoor volgen naar een roofvogel of een slang, want de tuinwaaierstaart valt alles aan wat groter is dan hijzelf. Op zomeravonden met volle maan is hij nog om middernacht te horen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en een van de talrijkste vogels van het continent. Het openkappen van bos en de aanleg van weiland, gazons en sportvelden hebben hem eerder geholpen dan geschaad, en hij broedt tot in het hart van grote steden. Koekoeken leggen graag bij hem, maar hij herkent vreemde eieren goed. Verwilderde katten, ratten en klauwierkraaien nemen jongen; op de aantallen heeft dat geen zichtbaar effect.
Wetenschappelijke naam
Rhipidura leucophrys | (Latham, 1801)
Latham beschreef de vogel in 1801 als Turdus leucophrys, bij de lijsters; omdat hij later naar een ander geslacht ging staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhipidura werd in 1827 ingevoerd door Vigors en Horsfield, uit het Griekse rhipis, rhipidos, waaier, en oura, staart. leucophrys betekent witwenkbrauwig, uit leukos, wit, en ophrys, wenkbrauw. In Aboriginaltalen heet hij naar zijn ratel: djididjidi bij de Noongar, tjintir-tjintir bij de Pitjantjatjara.




