Alle soorten › Zangvogels › Paradijsvogels › Victoria's geweervogel
Victoria's geweervogel | Ptiloris victoriae
Victoria's Riflebird | Ave fusil de la reina Victoria
De kleinste van de drie geweervogels en de enige die alleen in de natte tropen van noordoost-Queensland voorkomt. Het mannetje is fluweelzwart met een irisererend blauwgroen kruintje en keelschild en vertoont zich op een stomp of dikke liaan: eerst de ene vleugel boven de kop, dan de andere, ten slotte allebei, met de kop schokkend heen en weer en de bek wijd open.
Geluid
Een hard, rasperig jaass van twee tot vier oplopende uithalen, met de klank van scheurend doek, dat vanaf een hoge tak ver door het regenwoud draagt; het roepen piekt van augustus tot december in de eerste uren na zonsopgang. Bij de vertoning ruisen de vleugels hoorbaar door de lucht, een geluid dat op enkele tientallen meters te horen is. Vrouwtjes en jonge vogels laten korte, harde krassen horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het volwassen mannetje is fluweelzwart met een irisererend blauwgroen kruintje en een driehoekig irisererend keelschild, onderaan afgesloten door een brede donkere borstband; de buik glanst bronspaars in zijlicht en de middelste staartpennen zijn eveneens irisererend. De snavel is zwart, gebogen, maar duidelijk korter dan bij de prachtgeweervogel. Het vrouwtje en de jonge vogel zijn bruin op rug en vleugels, met een opvallende vuilwitte wenkbrauwstreep en roomkleurige onderdelen die dicht met donkere haken- of pijlvlekjes zijn bezet. Jonge mannetjes ruien geleidelijk en laten dan zwarte vlekken tussen het bruin zien, een kleed dat geen van beide oudervogels heeft.
Verwarringssoorten
De drie geweervogels van het geslacht Ptiloris zijn geografisch gescheiden: deze soort is beperkt tot de natte tropen tussen Cooktown en het Paluma-gebied, de prachtgeweervogel (Ptiloris magnificus) zit noordelijker op Kaap York en de schildgeweervogel (Ptiloris paradiseus) ruim duizend kilometer zuidelijker. Binnen de natte tropen is er geen andere geweervogel, zodat het areaal de determinatie vrijwel afmaakt. De bruine vrouwtjes lijken wel op de bruine katvogel (Scenopoeetes dentirostris) uit hetzelfde bos, maar die is forser, heeft een zware rechte snavel met een inkeping en is in de lengte gestreept in plaats van dwars gevlekt.
Leefgebied
Tropisch regenwoud en het aangrenzende natte eucalyptusbos met een vochtige onderlaag, van zeeniveau tot omstreeks twaalfhonderd meter; het hoogste voorkomen ligt op de bergplateaus, waar de soort het talrijkst is. De vogel klimt en hangt langs stammen en dikke lianen en wrikt met de snavel onder losse schors, in dood hout en in epifytenpollen; daarnaast eet hij vruchten in het kroondek en aan de bosrand.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in de natte tropen van noordoost-Queensland, van het achterland van Cooktown zuidwaarts tot ongeveer het Paluma-gebied ten noorden van Townsville, dus over ruwweg vierhonderd kilometer kustgebergte. Standvogel met beperkte hoogtebewegingen: in de koelere maanden zakken vogels naar lager bos en naar de randen. Buiten dit gebied is de soort niet vastgesteld.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De vertoningsplekken liggen jaren achtereen op dezelfde stomp of dikke liaan, meestal twee tot zes meter boven de grond. Luister bij dageraad naar het scheurende jaass en loop er behoedzaam op af. Bij de bezoekerslodges van het Atherton-plateau komen vrouwtjes en jonge vogels op de voedertafels en laten zich daar van dichtbij bekijken, wat het beste oefenmateriaal geeft voor het pijlvlekpatroon van de onderdelen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en binnen het areaal algemeen. Het hele leefgebied ligt vrijwel geheel binnen het werelderfgoedgebied van de natte tropen, waar niet meer gekapt wordt. De zorgen betreffen de smalte van het areaal en de opwarming van het bergklimaat, die de koele hooglandbossen op termijn kan uitdunnen; lager in het laagland blijft de soort vooralsnog talrijk.
Wetenschappelijke naam
Ptiloris victoriae | Gould, 1850
Gould beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen bij de geweervogels, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan. Ptiloris is gevormd uit Grieks ptilon (veer) en rhis (neusgat), naar de veertjes over de neusgaten. De soortnaam victoriae eert koningin Victoria, en de Nederlandse naam volgt die eer. Over de naam geweervogel bestaan twee verklaringen die naast elkaar in omloop zijn: het fluweelzwarte kleed dat aan het uniform van een Britse scherpschutter herinnert, en de roep die op een schot lijkt.

