Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Vink
Vink | Fringilla coelebs
Eurasian Chaffinch | Pinzón vulgar
De vink is de vreemdeling die het diepst in het inheemse bos is doorgedrongen. De acclimatisatiegenootschappen brachten hem vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw naar Nieuw-Zeeland, waar hij aanvankelijk maar moeizaam wortel schoot; nu is hij een van de talrijkste zangvogels van het land en zit hij niet alleen in de tuin, maar ook in beukenbos en podocarpenbos waar verder alleen inheemse vogels zingen.
Geluid
Het contactgeluid is het bekende, heldere tsjink tsjink, dat man en vrouw het hele jaar door laten horen en dat vaak het enige is wat je van de vogel merkt. Van augustus tot januari zingt het mannetje vanaf een vaste tak een korte, versnellende ratel die met een zwierige slotfiguur afgesloten wordt, tot enkele malen per minuut herhaald. Noordereiland en Zuidereiland hebben elk hun eigen zangdialect, en dat verschil is met het oor te horen.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · Vains, Manche, Normandie, France · xeno-canto
Herkenning
Een slanke vink van veertienenhalve centimeter met een lange staart. Het mannetje heeft in de zomer een leiblauwe kruin en nek, een kastanjebruine mantel, een oranjerode borst en een groenige stuit; in de winter zijn die kleuren door bruine veerranden versluierd en oogt hij veel doffer. Het vrouwtje is grijsbruin en effen. Beide geslachten dragen hetzelfde onmiskenbare vleugelpatroon: een brede witte schouderstreep en een tweede witte streep daaronder, en in de vlucht springen de witte buitenste staartpennen eruit.
Verwarringssoorten
De groenling (Chloris chloris) is forser, met een zware bleke snavel en gele vlekken in vleugel en staart in plaats van wit. De barmsijs (Acanthis flammea) is kleiner en overal fijn gestreept, met een rode voorhoofdsvlek en een zwart kinvlekje. Een vrouwtje huismus (Passer domesticus) is gedrongener, heeft een zwaardere kegelsnavel en mist zowel de dubbele witte vleugelstreep als het wit in de staart — juist dat wit maakt elke wegvliegende vink herkenbaar.
Leefgebied
Van dennenplantage en tuin tot inheems beukenbos en podocarpenbos, en verder heggen, houtwallen, boomgaarden, subalpien struweel en beweid land met opgaande bomen. Hij vraagt niet meer dan bomen of struiken om vanaf te zingen en open grond eronder om zaad te zoeken. In Nieuw-Zeeland komt hij van zeeniveau tot veertienhonderd meter, en dat hij het gesloten inheemse bos in trekt is voor een uitgezette Europese zangvogel opmerkelijk.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over het hele vasteland van beide eilanden en op de Chathams, en gevestigd op Stewart Island, de Snares, de Auckland- en de Campbelleilanden; van Norfolk, Lord Howe, de Kermadecs en de Antipoden zijn losse gevallen bekend. In Australië is hij in de negentiende eeuw herhaaldelijk uitgezet zonder dat het ooit tot een populatie kwam; wat daar wordt gezien, zijn enkelingen. In Nieuw-Zeeland trekt hij niet, maar buiten de broedtijd, van maart tot augustus, verzamelen zich groepen op stoppelland en akkerranden.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in de zomer, van december tot februari, een bosrand of een houtwal af en tel de zingende mannetjes: elk zit op zijn eigen vaste tak en herhaalt de ratel om de twintig seconden. Let bij elke wegvliegende bruine vogel op het achterlijf; twee witte vleugelstrepen en wit aan weerszijden van de staart maken de vink meteen af, ook als de kleuren in de winter dof zijn.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in Nieuw-Zeeland gevestigd als exoot. Als landbouwplaag stelt hij weinig voor: wat vruchtknoppen en pas gezaaid graan, meer niet. Van verdringing van inheemse vogels is geen geval aangetoond, al is het feit dat hij tot in het gesloten beukenbos zit een reden om hem in de gaten te houden — hij eet daar dezelfde zaden en insecten als de inheemse zangvogels. Hij is bovendien gastheer voor vogelziekten die met hem meekwamen.
Wetenschappelijke naam
Fringilla coelebs | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla coelebs en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven; Fringilla is het Latijnse woord voor vink. coelebs betekent 'ongehuwd', en daar zit een waarneming achter: Linnaeus zag dat in de Zweedse winter vooral de vrouwtjes wegtrokken en de mannetjes alleen achterbleven. De typelocatie is Zweden.




