Alle soortenZangvogelsGorzen › Cirlgors

Cirlgors | Emberiza cirlus

Cirl Bunting | Escribano soteño

De cirlgors is het merkwaardigste geval onder de uitgezette Europese vogels van Nieuw-Zeeland: tussen 1871 en 1880 kwamen er kleine aantallen uit Groot-Brittannië aan, en die hebben het gehouden — terwijl de soort in datzelfde Engeland ruim een eeuw later bijna verdween en in 1989 tot honderdachttien paar in het zuiden van Devon was teruggelopen. Het droge oosten van het Zuidereiland bleek beter te bevallen dan het geboorteland.

Cirlgors (Emberiza cirlus)
Foto: Clément Bardot — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een droge, rammelende triller op één toonhoogte, twee tot drie seconden lang en tot negen keer per minuut herhaald vanaf een draad, een hekpaal of de top van een matagouristruik. Hij lijkt op een stuk uit de zang van de groenling, maar is korter en harder. Daarnaast een hoog, ijl contactgeluid en bij grensruzies een luid, ratelend gekwetter. In de zomer, van december tot februari, zingt het mannetje de hele dag door in de hitte, als vrijwel alles zwijgt.

Luister: ZangXC916607

Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · Cabane Vauban (Carolles), Manche, Normandie, France · xeno-canto

Herkenning

Een slanke gors van vijftien tot zestien en een halve centimeter, met een lange staart en een kegelvormige snavel. Het mannetje heeft een zwarte oogstreep met daarboven en daaronder een gele band, een zwarte keelvlek met een gele band eronder, en daarop weer een olijfgroene borstband; de flanken zijn kastanjebruin gestreept. Het vrouwtje en de jonge vogels zijn het hele jaar bruin en gestreept en dragen op de oorstreek een hoefijzervormige tekening. Bij alle kleden is de stuit olijfgroen en niet roodbruin.

Verwarrings­soorten

De geelgors (Emberiza citrinella) is de enige echte verwarring en zit in hetzelfde land: het mannetje is veel geler op kop en onderzijde en mist de zwarte keel, en bij elk kleed is de stuit warm roodbruin in plaats van olijfgroen — dat is bij een wegvliegende vogel het snelste kenmerk. Het vrouwtje van de vink (Fringilla coelebs) heeft twee witte vleugelstrepen, die een gors nooit heeft. Een vrouwtje huismus (Passer domesticus) is korter van staart en zwaarder van snavel.

Leefgebied

Droog, open boerenland met verspreide bomen, heggen en plekken struweel, waar het gras door vee kort wordt gehouden: lage hellingen, ravijnen en rivierterrassen. Matagouri- en bremstruweel, wijngaard en boomgaard horen er ook bij. Hij vraagt zaad op de grond, een struik om in te nestelen en een hoge zangpost — een combinatie die het gebied rond de Awatere in Marlborough hem in overvloed levert.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Vrijwel beperkt tot de droge streken van het oostelijk Zuidereiland: van de Marlborough Sounds zuidwaarts tot Kaikoura, het talrijkst in de Awatere-vallei, en verder verspreid in Canterbury, Nelson, Noord-Otago en Centraal-Otago. De schatting komt op tweeduizend tot vijfduizend vogels. Op het Noordereiland is hij zeldzaam, met sinds 1991 een broedpopulatie bij Wellington. In Australië komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in de zomer een grindweg door beweide heuvels in Marlborough of Noord-Canterbury en stop bij elke draad met een zingende vogel; de rammelende triller draagt ver in de middaghitte en is dan vaak het enige geluid. Kijk bij elke opvliegende gors naar de stuit: olijfgroen is cirlgors, roodbruin is geelgors. Dat werkt ook bij de bruine vrouwtjes.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in Nieuw-Zeeland gevestigd als exoot, met een populatie die te klein is om economische of ecologische schade aan te richten; er zijn geen gevallen van bekend. Het contrast met het thuisland is scherp: in Engeland liep de soort vanaf de jaren dertig terug tot honderdachttien paar in 1989, alle in Zuid-Devon, waarna gericht beheer van stoppelland en heggen haar rond 2003 weer op zo'n zevenhonderd paar bracht. De uitgezette vogels aan de andere kant van de wereld hadden dat nooit nodig.

Wetenschappelijke naam

Emberiza cirlus | Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Emberiza cirlus en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Emberiza komt van het Oudhoogduitse Embritz, 'gors', en werd door Linnaeus in 1758 ingevoerd. cirlus gaat terug op het Italiaanse cirlo, een streeknaam voor een gors, van zirlare, 'sjilpen' of 'fluiten' — de naam is dus naar het geluid gevormd, en het Engelse cirl en het Nederlandse cirlgors komen er allebei uit voort.