Alle soortenZangvogelsSpitsvogels, orgelvogels en verwanten › Witborstspitsvogel

Witborstspitsvogel | Artamus leucorynchus

White-breasted Woodswallow | Artamo ventriblanco

De witborstspitsvogel is de meest wijdverspreide soort van het geslacht — zijn areaal loopt van de Andamanen en de Filipijnen door Indonesië en Nieuw-Guinea tot Australië en de eilanden van de zuidwestelijke Stille Oceaan — en tegelijk de gemakkelijkst te herkennen. Hij is scherp in tweeën gedeeld: een donkergrijze kap over kop, keel en bovenborst, en daaronder zuiver wit. In Australië hoort hij bij water: rivieroevers, mangroven en de draden langs de weg ernaast.

Witborstspitsvogel (Artamus leucorynchus)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, nasaal en wat schor vut of peurt, dat groepjes voortdurend tegen elkaar laten horen en dat door de kortheid ervan gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. De zang is een zacht, aanhoudend gebabbel van krassende en piepende tonen, vaak met nabootsingen van andere soorten erin verweven, doorgaans van een draad of dode tak. Bij het nest en tegen roofvogels en kraaien klinkt een scherp, opgewonden ratelen, waarbij de hele groep tegelijk uitvalt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een gedrongen, breedvleugelige spitsvogel waarbij het kleed in twee schoongesneden helften uiteenvalt. Kop, keel, bovenborst, mantel en vleugels zijn donker leigrijs tot roetgrijs; borst, buik, flanken, onderstaartdekveren en stuit zijn zuiver wit. De grens tussen die twee loopt dwars over de borst en is scherp, zonder overgangszone — dat is het kenmerk waar alles om draait. De witte stuit valt in de vlucht sterk op tegen de donkere rug en staart. De staart is egaal donker en mist de witte punt die de meeste andere spitsvogels wel dragen. De snavel is bleek blauwgrijs met een zwarte punt en oogt bij zonlicht bijna wit; het oog is donker, de poten zijn kort en grijs. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner en vaag gestreept op kop en borst. Groepen zitten graag in een rij op draden of op een dode tak en klitten buiten het broedseizoen dicht opeen.

Verwarrings­soorten

Binnen het geslacht is dit de enige soort met zuiver witte onderdelen onder een egaal donkere kap, en daarmee is zij in één oogopslag gescheiden van alle andere. Let vooral op de staart: waar de blauwvleugelspitsvogel (Artamus cyanopterus), de zwartteugelspitsvogel (Artamus cinereus) en de roetspitsvogel (Artamus minor) een witte staartpunt hebben, is die hier afwezig, en de witte stuit ontbreekt juist bij die drie. De maskerspitsvogel (Artamus personatus) heeft een scherp begrensd zwart gezichtsmasker maar is van onderen bleek grijs en niet wit, en de donkere kap loopt daar niet tot op de borst door. Verder van huis is de verwarring met de zwarte orgelvogel of andere Artamidae uitgesloten door het formaat. In gemengde zwermen boven het binnenland, waar meerdere spitsvogels door elkaar vliegen, is deze soort de vogel met de witte stuit — het meest bruikbare kenmerk van bovenaf en van opzij.

Leefgebied

Vrijwel altijd in de buurt van water: rivierbos en kreekoevers, mangrove, open bos en woodland langs de kust, en daarnaast veel door de mens gemaakt terrein — weiland met verspreide bomen, wegbermen, telefoon- en elektriciteitsdraden, parken en dorpsranden. De vogel jaagt zwevend en glijdend op vliegende insecten, vaak boven water, en keert telkens naar dezelfde uitkijkpost terug. Het nest is een ijl schaaltje van twijgen in een boomholte, achter de bladbasis van een palm, in een gevorkte tak, op een hekpaal of in een bouwsel van mensen; hetzelfde plekje wordt jaren achtereen gebruikt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het grootste areaal van alle spitsvogels: van de Andamanen, de Filipijnen en Borneo door de Kleine Soenda-eilanden en Nieuw-Guinea tot Palau, Nieuw-Caledonië en Fiji, en in Australië over vrijwel het hele vasteland met uitzondering van de koelste zuidelijke delen en Tasmanië. In het noorden is de soort standvogel; in het zuiden van het Australische areaal trekken vogels in het najaar noordwaarts weg en keren zij in het voorjaar terug, zodat zij daar duidelijk een zomerverschijning is. Dwaalgasten bereiken Nieuw-Zeeland niet.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd langs een rivier of een mangrovezoom en kijk naar de draden: een rijtje gedrongen grijs-witte vogels die telkens opvliegen, een rondje zweven en op dezelfde plek terugkomen, is deze soort. Onthoud het beeld van bovenaf — donkere rug met een opvallende witte stuit en een egale donkere staart — want dat werkt ook wanneer de vogel te ver weg is om de scherpe borstgrens te zien.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, met een areaal dat zich over een groot deel van Zuidoost-Azië, Melanesië en Australië uitstrekt en met een populatie die nergens onder druk staat. Zij is een van de weinige Australische bosvogels die van het menselijke landschap eerder heeft geprofiteerd dan geleden: draden, palen, hekken en open weiland met verspreide bomen leveren precies de uitkijkposten en het open luchtruim die zij nodig heeft, en dorpen en parken worden gewoon bewoond. Aantasting van mangrove en rivierbos is plaatselijk wel ongunstig.

Wetenschappelijke naam

Artamus leucorynchus | (Linnaeus, 1771)

Carl Linnaeus beschreef de vogel in 1771 als Lanius leucorynchus, naar materiaal uit Manilla op Luzon in de Filipijnen — een herinnering eraan dat deze soort allerminst een Australische specialiteit is. Het epitheton leucorynchus verbindt het Griekse leukos ('wit') met rhunkhos ('snavel') tot 'witsnavel', en verwijst dus niet naar de witte borst maar naar de bleke, in de zon bijna wit ogende snavel; de Nederlandse naam witborstspitsvogel, de Engelse White-breasted Woodswallow en de Spaanse artamo ventriblanco kiezen alle drie het andere, in het veld opvallender kenmerk. De geslachtsnaam Artamus komt van het Griekse artamos, 'slager', naar de verwantschap met de orgelvogels.