Alle soorten › Zangvogels › Spitsvogels, orgelvogels en verwanten › Blauwvleugelspitsvogel

Blauwvleugelspitsvogel | Artamus cyanopterus

Dusky Woodswallow | Artamo sombrío

De blauwvleugelspitsvogel is de spitsvogel van het gematigde zuiden. Waar de meeste soorten van dit geslacht het droge binnenland doorkruisen, is dit de enige die in het zuidoosten en zuidwesten van Australië en in Tasmanië werkelijk algemeen is. Het is een rookbruine vogel met een smalle, scherp afgetekende witte streep langs de voorrand van de vleugel, die in losse groepjes boven open eucalyptusbos zweeft en zich 's nachts in dichte trossen tegen een stam of tak drukt.

Blauwvleugelspitsvogel (Artamus cyanopterus)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zacht en onopvallend, zonder de dwingende roep van veel andere bosvogels. Het gewone contactgeluid is een kort, nasaal vit of tjet, dat groepjes onophoudelijk tegen elkaar laten horen terwijl ze rondzweven. Daarnaast klinkt een rommelig, krassend gebabbel als onderzang, waarin regelmatig nagebootste flarden van andere soorten opduiken. Bij het nest en bij verstoring gaat de roep over in een scherp, ratelend alarm. Wie een zwerm hoort voordat hij haar ziet, herkent vooral dat zachte, aanhoudende gepiep uit de lucht.

Luister: ZangXC365193

Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Nangar National Park, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen zangvogel met driehoekige, spits toelopende vleugels en een korte staart, gebouwd voor zweven en glijden. Het kleed is over het geheel rookbruin tot warm grijsbruin, donkerder en matter dan bij de meeste verwanten, met een kleine zwarte teugelvlek voor het oog maar zonder eigenlijk masker. Het beslissende kenmerk is de vleugel: langs de voorrand loopt een smalle, zuiver witte streep, gevormd door de witte buitenvlaggen van de handdekveren, scherp afgetekend tegen het donkere vleugeldek. De handpennen zijn zwartachtig, de onderzijde van de vleugel is zilvergrijs. De staart is zwart met een smalle witte punt. De snavel is blauwgrijs met een zwarte punt, het oog donker, de poten kort en grijs. Man en vrouw zijn gelijk. Kenmerkend is verder het klitgedrag: groepen drukken zich buiten het broedseizoen dicht opeen tegen een stam of een dode tak, tientallen vogels als één klomp.

Verwarrings­soorten

Binnen de zes Australische spitsvogels beslist het maskerpatroon, en juist deze soort heeft géén masker — alleen een kleine zwarte teugelvlek. De roetspitsvogel (Artamus minor) is veel kleiner en donkerder, bijna chocoladebruin, mist de witte vleugelstreep volledig en is gebonden aan rotsige kloven en kliffen. De zwartteugelspitsvogel (Artamus cinereus) is grijzer en bleker, heeft eveneens een zwarte teugel maar geen witte vleugelrand, en draagt een bredere witte staartpunt. Het vrouwtje van de maskerspitsvogel (Artamus personatus) is een egaal grijsbruine vogel met hoogstens een vage donkere waas op het gezicht en zonder witte vleugelstreep. De witborstspitsvogel (Artamus leucorynchus) heeft een scherpe scheiding tussen een donkergrijze kap en een zuiver witte onderzijde. Het mannetje van de wenkbrauwspitsvogel (Artamus superciliosus) is met zijn witte wenkbrauwstreep en kastanjebruine onderdelen onmiskenbaar. Lastig blijft dat spitsvogels graag in gemengde zwermen rondtrekken: in één zwerm boven het binnenland kunnen drie of vier soorten door elkaar vliegen, en dan helpt alleen geduldig elke vogel afzonderlijk bekijken.

Leefgebied

Open eucalyptusbos en open bos vormen de kern, van het droge boslandschap van het binnenland tot vochtiger bos in Tasmanië en het zuidoosten. Bosranden, open plekken, kaalslag met achtergebleven staande bomen en boomsingels in weiland worden veel gebruikt, omdat de vogel vanaf een uitkijkpost het open luchtruim nodig heeft om insecten te vangen. Hij jaagt zwevend en glijdend op vliegende prooi en keert telkens naar dezelfde tak terug. Het nest is een slordig schaaltje van twijgen en worteltjes in een gevorkte tak, achter losse bast of in een boomstronk, vaak in losse kolonies van enkele paren bij elkaar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Twee gescheiden gebieden: een oostelijk areaal van zuidoostelijk Queensland door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot zuidoostelijk Zuid-Australië, met Tasmanië erbij, en een kleiner westelijk areaal in het zuidwesten van West-Australië. De vogel is gedeeltelijk trekvogel: zuidelijke broedvogels trekken in het najaar naar het noorden en noordoosten weg, en de Tasmaanse populatie steekt Straat Bass over om op het vasteland te overwinteren. In het zuidoosten is de soort daardoor in de zomer veel talrijker dan in de winter.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk naar de vleugelrand, niet naar de kop. In de glijvlucht, met gestrekte vleugels en wijd gespreide staart, lichten de witte voorranden op als twee smalle strepen — geen andere spitsvogel heeft ze. Zoek in de winter naar klitten: een klomp vogels tegen een stam, van een afstand aan te zien voor een stuk losse bast, is bijna altijd deze soort.

Staat van instandhouding

De soort staat op de Rode Lijst als niet bedreigd (LC), en het areaal is groot. Toch wordt uit zuidoostelijk Australië al langere tijd een aanzienlijke afname gemeld, samenhangend met het verdwijnen van open boslandschap, het opruimen van dood hout en staande dode bomen, en het verdwijnen van de losse bast waarachter de vogel nestelt.

Wetenschappelijke naam

Artamus cyanopterus | (Latham, 1801)

John Latham beschreef de vogel in 1801 als Loxia cyanoptera, naar materiaal uit Nieuw-Holland, in de praktijk de omgeving van Sydney; omdat hij later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton cyanoptera verbindt het Griekse kuanos ('donkerblauw') met pteron ('vleugel') tot 'blauwvleugel', en de Nederlandse naam blauwvleugelspitsvogel volgt dat letterlijk, al oogt de vleugel in het veld eerder grijs dan blauw. De geslachtsnaam Artamus gaat terug op het Griekse artamos, 'slager' — een verwijzing naar de verwantschap met de orgelvogels, die hun prooi op een tak spietsen. Het Nederlandse spitsvogel slaat op de spitse, driehoekige vleugel. De Engelse naam Dusky Woodswallow en de Spaanse artamo sombrío benoemen allebei het doffe, donkere kleed en niet de vleugelkleur.