Alle soorten › Zangvogels › Spitsvogels, orgelvogels en verwanten › Zwartteugelspitsvogel
Zwartteugelspitsvogel | Artamus cinereus
Black-faced Woodswallow | Artamo carinegro
De zwartteugelspitsvogel is de spitsvogel die overal in het droge binnenland op het hek zit. Hij is de meest sedentaire van de zes, houdt jaarrond hetzelfde terrein aan en is daardoor vaak de enige soort die er is wanneer de zwervende masker- en wenkbrauwspitsvogels elders zitten. Het kleed is onopvallend rookgrijs; het enige duidelijke koppatroon is een smalle zwarte teugelstreep van de snavel tot achter het oog — géén gesloten masker.
Geluid
Een zacht, nasaal en wat schor tsjef of peut, doorgaans in korte reeksen, dat paren en groepjes onafgebroken tegen elkaar laten horen. De zang is een zacht, rommelig gebabbel van krassende en kwetterende tonen, vaak met nabootsingen van andere soorten erin, en wordt in het voorjaar lang achtereen vanaf een paal of dode tak volgehouden. Bij verstoring klinkt een fel, herhaald ratelalarm waarbij de hele groep tegelijk opvliegt en aanvalt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote, gedrongen spitsvogel, over het geheel rookgrijs tot grijsbruin, van boven iets donkerder dan van onderen, zonder scherpe contrasten in het lichaamskleed. De kop is een zacht, vaag begrensd grijs kopje dat zonder scheidingslijn in de grijze nek en mantel overloopt — precies het omgekeerde van de maskerspitsvogel. Het enige duidelijke gezichtskenmerk is een smalle zwarte teugelstreep die van de snavelbasis door het oog naar achteren loopt; die streep is scherp maar klein en omsluit kin en keel niet. De staart is zwart met een brede, goed zichtbare witte punt. De snavel is blauwgrijs met een zwarte punt, het oog donker, de poten grijs en naar verhouding lang. Man en vrouw zijn gelijk. Belangrijk is de onderstaart: in het noorden en oosten zijn de onderstaartdekveren wit, in het centrum van het continent zijn ze bij een aparte vorm zwart, zodat eenzelfde soort er in het veld verschillend uit kan zien.
Verwarringssoorten
Het koppatroon beslist, en juist hier is het zwak. De maskerspitsvogel (Artamus personatus) draagt bij het mannetje een gesloten, gitzwart masker dat voorhoofd, wang, kin en keel omvat en door een witte lijn wordt afgezet; deze soort heeft alleen die smalle teugelstreep en een vaag grijs kopje. Het vrouwtje van de maskerspitsvogel is echter veel lastiger: dat is een doffe grijsbruine vogel met hoogstens een donkere waas op het gezicht, en dan moet de brede witte staartpunt van deze soort de doorslag geven, samen met het gedrag — zittend op een hek in vast terrein tegenover hoog zwevend in een zwerm. De blauwvleugelspitsvogel (Artamus cyanopterus) is bruiner en draagt een witte vleugelrand die hier ontbreekt. De roetspitsvogel (Artamus minor) is veel kleiner en donker roetbruin. De witborstspitsvogel (Artamus leucorynchus) heeft zuiver witte onderdelen, een witte stuit en géén witte staartpunt. Het lastigst blijft de gemengde zwerm: boven het binnenland trekken vier of vijf soorten door elkaar, en dan is deze soort de matgrijze vogel met witte staartpunt zonder verdere tekening — een negatief kenmerk, dat geduld vraagt.
Leefgebied
Open droog land in de ruimste zin: mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en acaciastruweel, savanne met verspreide eucalypten, saltbush- (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) en bluebushvlakte (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland) en gibbervlakte (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien), en daarnaast alle door de mens geopende varianten daarvan, met hekken, draden en veeposten als uitkijkposten. De vogel jaagt zwevend op vliegende insecten maar daalt ook regelmatig naar de grond om prooi te pakken — een gewoonte die bij de andere spitsvogels veel minder voorkomt en die aan de lange poten af te lezen is. Het nest is een ijl schaaltje van twijgen in een struik, een vork, een holle stronk of een hekpaal, vaak laag.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Vrijwel het hele Australische vasteland met uitzondering van Tasmanië, de natste kuststroken van het zuidoosten en de dichtste bossen, met het zwaartepunt in het droge binnenland. Buiten Australië komt de soort voor op Timor en enkele omringende eilanden van de Kleine Soenda's — het gebied waarvan het oorspronkelijke type afkomstig is. In Australië is zij standvogel en plaatstrouw, met hooguit plaatselijke verschuivingen in extreme droogte; de grote, weersgestuurde zwerftochten van de masker- en wenkbrauwspitsvogel maakt zij niet.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd een binnenlandse weg af en kijk naar de hekpalen en draden: paartjes en groepjes van drie tot zes matgrijze spitsvogels die daar rustig zitten en telkens een kort rondje maken, zijn vrijwel altijd deze soort — de zwervende soorten zitten veel minder en zweven veel meer. Controleer de staartpunt: breed wit bij deze soort. Kijk daarna pas naar de kop, en verwacht daar weinig: een smalle zwarte streep door het oog, en verder niets.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Zij is een van de weinige binnenlandse zangvogels die van de veeteelt eerder voordeel dan nadeel hebben gehad: hekken, draden, veeposten en drinkbakken leveren uitkijkposten en water in een landschap waar beide schaars zijn, en het openhouden van struweel schaadt haar niet. Plaatselijke afname wordt gemeld waar het struweel volledig verdwijnt en er niets voor in de plaats komt, maar over het geheel genomen is de populatie groot en stabiel.
Wetenschappelijke naam
Artamus cinereus | Vieillot, 1817
Louis Pierre Vieillot beschreef de vogel in 1817 als Artamus cinereus, naar materiaal van Timor — niet uit Australië dus, wat bij deze wijd verspreide soort geen toeval is. Het epitheton cinereus is Latijn voor 'asgrauw' en benoemt het matgrijze kleed. De Nederlandse naam zwartteugelspitsvogel is nauwkeuriger dan de Engelse Black-faced Woodswallow en de Spaanse artamo carinegro, want het zwart beperkt zich werkelijk tot de teugel en het gebied rond het oog en vormt geen zwart gezicht zoals bij de maskerspitsvogel; wie op 'zwart gezicht' afgaat, brengt de verkeerde soort op naam. De geslachtsnaam Artamus gaat terug op het Griekse artamos, 'slager', naar de verwantschap met de orgelvogels.



