Alle soorten › Zangvogels › Bootbekken › Geelborstbootsnavel
Geelborstbootsnavel | Machaerirhynchus flaviventer
Yellow-breasted Boatbill | Monarca piquiplano pechiamarillo
De geelborstbootsnavel is een klein, fel geel en zwart vogeltje van het regenwoud van Kaap York en de Wet Tropics, met een breed en plat snaveltje dat van opzij op een omgekeerd bootje lijkt. Hij hoort bij de bootsnavels, een familie van twee soorten uit Australië en Nieuw-Guinea die aan die snavelvorm haar naam dankt. Klein, hoog in het bos en zelden stil: juist daardoor wordt hij weinig gezien.
Geluid
Een fijne, ijle reeks van vijf tot acht piepende noten die in toonhoogte daalt, ongeveer tsjie-tsjie-tsjie-tsjie, met tussenpozen van enkele seconden herhaald. Daartussen klinkt een zacht, ratelend trrrt waarmee de partners elkaar in de kroon volgen. Het geluid is hoog en zwak en verdwijnt bij het minste ruisen van bladeren. Wie op een regenwoudpad op ooghoogte luistert, hoort hem meestal ver boven zich.
Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · Cook's Hut Camping Area, Iron Range National Park, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Elf tot twaalfenhalve centimeter, en daarmee een van de kleinste vogels van het Australische regenwoud. Het mannetje is zwart op kop, rug en staart, met een gele wenkbrauwstreep, twee witte vleugelbanden, een witte keelvlek en een helder gele borst en buik. Het vrouwtje heeft dezelfde tekening in olijfgroen en dofgeel in plaats van zwart en fel geel. De snavel is breed, plat en zwart, met een haakje aan het eind en stevige snorharen aan de basis; van voren gezien is hij bijna zo breed als de kop. De vogel jaagt met korte uitvallen naar vliegende insecten en houdt de staart daarbij stijf omhoog.
Verwarringssoorten
De waaierstaarten en monarchen van hetzelfde bos zijn groter, langstaartiger en missen de felgele onderzijde. Van de kleine gele bosvogels is de brilvogel de lastigste: die heeft een brede witte oogring, een spitse snavel en beweegt in groepjes, terwijl de bootsnavel in paren zit. Het olijfgroene vrouwtje doet aan een jonge honingeter of een zanger denken, maar geen van beide heeft twee witte vleugelbanden. In alle gevallen beslist de snavel: van voren gezien is die bijna zo breed als de kop, en dat heeft geen andere kleine vogel van dit bos.
Leefgebied
Gesloten regenwoud in de laaglanden en op de lagere hellingen, en het moessonbos en de lianenstruwelen van Kaap York. Ook bosranden en galerijbos langs kreken, mits het kroondak zich sluit. De vogel houdt zich aan de middelste en hogere lagen en komt zelden lager dan vijf meter. Droog, open eucalyptusbos gebruikt hij niet, ook niet als het aan het regenwoud grenst.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In het gebied van deze gids alleen het noordoosten van Queensland: Kaap York zuidwaarts tot ongeveer de hoogte van Townsville, met de hoogste dichtheden in de Wet Tropics rond Cairns en op de Atherton Tableland. Daarbuiten over vrijwel heel Nieuw-Guinea en enkele eilanden ervoor. Standvogel, met een paar dat het hele jaar bij elkaar blijft en een klein terrein aanhoudt. Het areaal is niet merkbaar veranderd; het hangt geheel aan de omvang van het gesloten bos.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop een regenwoudpad met een opening in het kroondak — een kreekbedding of een oude bosweg — en zoek beweging op tien tot vijftien meter hoogte. Het paar sluit zich vaak aan bij een gemengde troep van monarchen en zangers; wie zo'n troep vindt, moet erbij blijven. Het felle geel valt pas op wanneer de vogel de onderzijde naar je toe draait; tegen het licht is hij niet meer dan een silhouet met een brede snavel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en in geschikt bos algemeen; in de Wet Tropics is het een van de gewone kleine vogels, met ruim tienduizend waarnemingen in tien jaar. De soort hangt volledig aan gesloten regenwoud, zodat kappen en versnippering de enige echte bedreiging vormen. In het beschermde bos van Noordoost-Queensland is daar op dit moment weinig sprake van.
Wetenschappelijke naam
Machaerirhynchus flaviventer | Gould, 1851
John Gould beschreef de soort in 1851 en voerde in datzelfde werk het geslacht Machaerirhynchus in; omdat de vogel nog altijd in dat geslacht staat, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De geslachtsnaam komt uit Grieks makhaira (kort zwaard, dolk) en rhynchos (snavel), naar de brede, platte snavel. flaviventer is samengesteld uit Latijn flavus ('geel') en venter ('buik'). De typelocatie is Kaap York, de noordpunt van Queensland.


