Alle soorten › Zangvogels › Witkoppen › Mohoua
Mohoua | Mohoua ochrocephala
Yellowhead | Mohoua cabecigualda
De mohoua was tot in de negentiende eeuw de talrijkste zangvogel van het beukenbos van het Zuidereiland; wie door de valleien liep, hoorde niets anders. Vandaag is hij uit meer dan driekwart van dat gebied verdwenen en houdt hij zich staande in een handvol valleien met roofdierbestrijding en op een reeks roofdiervrije eilanden. Het is een gedrongen, felgeel bosvogeltje dat in luidruchtige familiegroepen hoog in de kronen werkt en zijn nest in een boomholte maakt — precies de gewoonte die hem in een land met ratten en hermelijnen zo kwetsbaar heeft gemaakt.
Geluid
De mohoua is voor zijn formaat opvallend luid. Het mannetje laat een scherp, machinegeweerachtig geratel horen, een snelle reeks harde noten op één toonhoogte die abrupt begint en abrupt ophoudt, en daarnaast een kanarieachtig, wat schor getjilp met gleiende noten. De groep houdt onderling een voortdurend hard tsiet-achtig contactgeluid aan, veel ruwer en nadrukkelijker dan het fijne gerinkel van de finschia. Omdat de vogels hoog in de kronen zitten, is dat geluid meestal het enige waaraan men hun aanwezigheid merkt; in beukenbos waar de soort nog voorkomt, draagt het door de hele vallei.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Vijftien centimeter, gedrongen gebouwd, met een korte hals en een vrij korte staart. Kop, keel en borst zijn helder geel tot okergeel en steken scherp af tegen de olijfbruine rug, de bruine vleugels en de bruine staart; de buik is vuilwit tot lichtbruin. Het geel is bij het mannetje het felst en loopt bij hem dieper door op de borst; het vrouwtje is doffer en heeft vaak een bruinige waas over de kruin. De snavel is zwart en stevig, de poten zwartig. Jonge vogels zijn dofgeel met een bruine kop. De vogel klimt en wringt zich door de buitenste twijgen van beuken, vaak ondersteboven, en hakt met de snavel schors los om larven te bereiken.
Verwarringssoorten
De finschia (Mohoua novaeseelandiae) leeft in hetzelfde bos en gedraagt zich hetzelfde, maar heeft een grijze kop met een lichte wenkbrauwstreep in plaats van een gele kop, is kleiner en veel lichter, en laat het fijne pipipi horen tegenover het harde geratel van de mohoua. De witkopmohoua (Mohoua albicilla) heeft een witte kop en komt alleen op het Noordereiland voor; overlap is er niet. De maorivliegenvanger (Petroica macrocephala) heeft bij het mannetje een gele borst maar een zwarte kop en zwarte rug en zit stil op een tak in plaats van rusteloos door de kronen te werken. De geelbandhoningzuiger (Notiomystis cincta) is zwart met een gele band over de borst en zit alleen op het Noordereiland en omliggende eilanden.
Leefgebied
Hoog, oud zuidelijk beukenbos in de dalen van het Zuidereiland, vooral rood- en zilverbeuk, en plaatselijk gemengd podocarpen-loofbos. De soort vraagt volgroeide bomen met holten, want zij broedt uitsluitend in een holte, gewoonlijk hoog in een oude of afgestorven stam, en foerageert vooral in het bladerdak en op de grote takken. Een bos zonder holtebomen is voor haar niet bruikbaar, hoe gaaf het verder ook is. Op de eilanden waarheen de soort is overgebracht, gebruikt zij ook lager, dichter loofbos. De koppels zijn het hele jaar territoriaal en leven vaak in familiegroepen met helpers van het jaar ervoor.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in Nieuw-Zeeland en beperkt tot het Zuidereiland en Stewarteiland. Historisch bezette de soort vrijwel al het bos van het Zuidereiland; tegen het eind van de twintigste eeuw was daarvan minder dan een kwart over. De resterende vastelandpopulaties liggen in valleien met langdurige roofdierbestrijding, onder meer in de Catlins, de Landsborough, de Dart en de Eglinton, en in delen van Fiordland. Daarnaast is de soort gevestigd op roofdiervrije eilanden als Chalky Island (Te Kakahu), Anchor Island, Breaksea, Ulva, Secretary en Blumine, waar de aantallen sterk zijn toegenomen. Trek is er niet.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga naar beukenbos waar de soort nog zit en werk uitsluitend op het oor: de vogels blijven hoog en zijn tegen het licht vaak niet meer dan silhouetten. Loop in de vroege ochtend langs een dalpad, blijf staan zodra het harde geratel klinkt en zoek dan met de kijker de buitenste twijgen van de kroon af tot er een gele kop oplicht. Op Ulva Island, waar de vogels in lager bos zitten en geen schuwheid kennen, lukt een goede waarneming het gemakkelijkst; op het vasteland is een gele kop in de kroon vaak alles wat men krijgt.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT), en op nationale schaal een van de bekendste herstelprojecten van Nieuw-Zeeland. De achteruitgang begon met de kap en de branden in het laagland, maar de beslissende klap kwam van de geïntroduceerde roofdieren. Omdat het vrouwtje in een boomholte broedt en die holte bij gevaar niet uit kan, is een nest voor een scheepsrat of een hermelijn een val: in één nacht gaat het hele broedsel én het vrouwtje verloren. Die druk is niet gelijkmatig. In jaren waarin de beuk massaal zaad zet, loopt de rattenstand op en volgen de hermelijnen een jaar later; zo'n golf kan een populatie in één seizoen wegvagen. Daar komt bij dat geïntroduceerde wespen in het honingdauwbeukenbos de suikers en de insecten wegkapen waarvan de vogels en hun jongen leven. Het antwoord is tweeledig geweest: grootschalige, op het beukenzaadjaar afgestemde bestrijding van ratten en hermelijnen in de kernvalleien, en het overbrengen van vogels naar eilanden waar geen roofdieren zijn. Beide werken — de eilandpopulaties zijn sterk gegroeid en enkele vastelandvalleien houden stand — maar de soort blijft afhankelijk van beheer dat nooit mag stoppen.
Wetenschappelijke naam
Mohoua ochrocephala | (Gmelin, 1789)
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 naar materiaal van Latham uit Queen Charlotte Sound, als Muscicapa ochrocephala: ook hier werd de vogel eerst bij een heel andere familie ondergebracht, in dit geval bij de vliegenvangers. Het epitheton is gevormd uit het Oudgrieks okhros ('bleekgeel, oker') en kephale ('kop') en beschrijft precies wat men ziet. De geslachtsnaam Mohoua is Maori, en de Nederlandse naam mohoua neemt die naam rechtstreeks over; in het Maori zelf heet de vogel mohua. Het Engels gebruikt Yellowhead, het Spaans mohoua cabecigualdo. De soort staat op het Nieuw-Zeelandse biljet van honderd dollar, wat haar in eigen land bekender maakt dan de meeste mensen haar ooit in het bos zullen zien.

