Alle soorten › Zangvogels › Australische boomkruipers › Witkeelkruiper
Witkeelkruiper | Cormobates leucophaea
White-throated Treecreeper | Corretroncos gorjiblanco
De witkeelkruiper is de boomkruiper van de oostelijke bossen: een donkere, gedrongen vogel die met schokjes tegen een stam omhoog werkt en zich verraadt door een scherp afgetekende witte keel. Van de zes Australische boomkruipers is hij de enige die vrijwel nooit op de grond komt. Hij is standvogel en houdt zijn terrein het hele jaar bezet.
Geluid
Een luide, doordringende reeks gelijke fluittonen, snel achter elkaar en met een trillende ondertoon; het is een van de meest gehoorde geluiden van het oostelijke eucalyptusbos. Het contactgeluid is een scherp, hard tsjip dat ergens tegen een stam klinkt en meestal het eerste teken van de vogel is. Beide seksen roepen, maar de lange reeks komt van het mannetje. Er wordt het hele jaar geroepen, het meest van augustus tot januari, wanneer de paren nestelen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Dertien tot zeventien centimeter, gemiddeld vijftien: een korte vogel met een stevige, iets gebogen snavel, korte staart en zware poten. De bovendelen zijn donker grijsbruin, de keel en de bovenborst zuiver wit en scherp begrensd; de flanken zijn wit met zwarte streping en de onderstaart is fijn gebandeerd. In de vlucht licht een roestkleurige band over de handpennen op. Het vrouwtje heeft een oranje vlek op de zijkant van de kop, het mannetje niet; jonge vogels zijn valer en rossiger op de stuit. De vogels van het noordoosten van Queensland zijn kleiner en donkerder dan die van het zuiden.
Verwarringssoorten
De boomkruipers van het geslacht Climacteris zijn groter en bleker, hebben een lichte wenkbrauwstreep in plaats van een witte keel en foerageren geregeld op de grond; de bruine boomkruiper (Climacteris picumnus) meet zestien tot achttien centimeter en overlapt in het binnenland met deze soort. Climacteris erythrops, de boomkruiper met het roestrode gezicht, heeft bovendien een gestreepte buik en houdt zich hoger in de kruinen op. De australische boomloper (Daphoenositta chrysoptera) klimt juist met de kop naar beneden, heeft een opgewipte snavel en beweegt in luidruchtige groepjes. Een boomkruiper die van beneden naar boven werkt en daarna naar de voet van de volgende stam vliegt, is vrijwel altijd deze soort.
Leefgebied
Eucalyptusbos en woodland met ruwe, diep gegroefde bast, waar de vogel de spleten afzoekt op mieren; ook regenwoud, natte gullies en bomenrijen langs rivieren. Hij heeft oude bomen nodig, want hij nestelt in een holte en bekleedt die met bast en haar. In stadsranden houdt hij stand zolang er oude eucalypten met ruwe bast staan; jonge aanplant en gladstammige bomen worden gemeden. Open, boomloos land steekt hij niet over.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het oosten en zuiden van het vasteland, van de Steenbokskeerkring tot in het zuidoosten van Zuid-Australië, vrijwel geheel aan de oostzijde van de Great Dividing Range. In het noordoosten van Queensland zit een gescheiden populatie in het regenwoud van de Natte Tropen, met kleinere en donkerder vogels. De soort is standvogel: paren houden hun terrein jaarrond bezet en jonge vogels vestigen zich dichtbij. Het areaal is de laatste eeuw weinig veranderd, al is de soort verdwenen uit stukken woodland waar de oude bomen zijn geveld.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek met de oren en kijk daarna laag: de vogel begint aan de voet van een stam en werkt in een spiraal omhoog, om vervolgens naar de voet van de volgende boom te vliegen. Wie hem met de kop naar beneden ziet lopen, kijkt naar iets anders. Let bij een goed zicht op de zijkant van de kop: de oranje vlek maakt er een vrouwtje van.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over vrijwel het hele areaal algemeen. Het verdwijnen van oude bomen met holten en losse bast is de voornaamste zorg, want daarvan hangen zowel het nest als het voedsel af. Van de Australische boomkruipers houdt deze soort zich in versnipperd bos het best staande, omdat hij niet van de grond leeft en dus minder last heeft van beweiding en het opruimen van dood hout.
Wetenschappelijke naam
Cormobates leucophaea | (Latham, 1801)
Latham beschreef de vogel in 1801 als Certhia leucophaea, bij de boomkruipers van het noordelijk halfrond; omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cormobates is gevormd uit Grieks kormos (boomstam) en bates (loper): de stamloper. leucophaea komt van leukos (wit) en phaios (grauw), naar de witte keel op een grauwe vogel. De typelocatie is Sydney in Nieuw-Zuid-Wales.




