Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Witoorvliegenvanger
Witoorvliegenvanger | Poecilodryas superciliosa
White-browed Robin | Petroica cejuda
De witoorvliegenvanger is de oostelijke tegenhanger van de bruinoorvliegenvanger: dezelfde bouw, dezelfde brede witte wenkbrauwstreep, dezelfde voorkeur voor dicht struweel langs het water, maar dan aan de andere kant van de Golf van Carpentaria. Hij houdt zich op in het donkerste deel van beekbegeleidend bos in noordoostelijk Queensland en houdt zijn staart daarbij vaak steil omhoog. Wie hem zoekt, hoort hem eerst: een snelle, bijna elektrische drieslag uit het struikgewas.
Geluid
Twee geluiden vallen op. Het eerste is een snel, hard en doordringend drietal noten, zap-zap-zap, dat als een vonk uit de dichte vegetatie komt en over water ver draagt. Het tweede is een langere reeks heldere, gefloten tonen. Beide geslachten laten zich horen. Buiten die uitbarstingen is het een stille vogel, die makkelijk over het hoofd wordt gezien.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke robin met een lange staart, olijfbruin tot grijsbruin op rug en vleugel. Het meest opvallende kenmerk is de brede witte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep en donkere oordekveren; daaronder is de keel wit en de borst lichtgrijs, overgaand in een witte buik. Op de vleugel zit een duidelijke witte vlek, en het uiteinde van de staart draagt witte vlekjes. De snavel is zwart, het oog donkerbruin. Karakteristiek is de houding: de staart wordt vaak steil omhoog gedragen. De soort is monotypisch — er worden geen ondersoorten onderscheiden.
Verwarringssoorten
Het enige echte probleem is Poecilodryas cerviniventris, waarmee deze soort tussen 1958 en 1994 als één soort te boek stond. De twee zijn nauw verwant en vormen elkaars geografische vervanger aan weerszijden van de zuidelijke Golf van Carpentaria; genetisch onderzoek wijst op allopatrische soortvorming. De verschillen zijn het duidelijkst juist waar de arealen elkaar het dichtst naderen: superciliosa is kleiner, heeft een dunnere en kortere witte wenkbrauwstreep, een lichtere bovenrug, een smallere witte vleugelstreep, en — het snelste kenmerk — witte tot heel licht grijze flanken, waar cerviniventris diep reebruin tot roodbruin is. Ook de ondersteel is bij cerviniventris oranjeachtig en bij superciliosa wit. Binnen het areaal van superciliosa is verdere verwarring onwaarschijnlijk: geen andere Australische robin combineert deze wenkbrauwstreep met een rechtop gedragen staart.
Leefgebied
Dichte, gesloten vegetatie langs kreken en rivieren, plus nat, dicht bos: beekbegeleidend oeverbos, moessonbos en vine thicket, de randen van tropisch regenwoud en de begroeiing rond bronnen. Zoals bij de bruinoorvliegenvanger is water de rode draad; de vogel blijft in de dichte onderetage en mijdt het drogere, open bos ernaast.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in Australië en beperkt tot het noorden en noordoosten van Queensland, van het schiereiland Kaap York zuidwaarts tot de Burdekin. Het areaal is aaneengesloten noch groot: de soort wordt als algemeen omschreven, maar met een versnipperde verspreiding die de loop van de waterlopen en de ligging van de bosresten volgt. Hij is standvogel.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Volg een kreek met gesloten kroondak en blijf staan waar de vegetatie tot aan het water komt. Fluit niet, maar wacht op de zap-zap-zap; die verraadt de vogel vrijwel altijd voordat je hem ziet. Zoek daarna op één tot drie meter hoogte naar een slanke vogel die zijn staart omhoog houdt en zich met korte sprongen door het struweel werkt. Controleer bij twijfel de flank: wit betekent deze soort, warm reebruin betekent dat je verder westelijk zit dan je dacht.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De populatiegrootte is niet vastgesteld; de soort geldt als algemeen binnen haar areaal, maar met een versnipperde verspreiding. De kwetsbaarheid zit in dezelfde hoek als bij haar westelijke zustersoort: zij is volledig afhankelijk van dichte oevervegetatie en van gesloten bosresten, twee formaties die in Noord-Queensland te lijden hebben onder begrazing en vertrapping door vee, wroetende verwilderde varkens, veranderde brandregimes en ontginning. Een afzonderlijke nationale beoordeling van deze soort onder de Australische EPBC-wetgeving is er niet; op wereldschaal geeft haar situatie voorlopig geen aanleiding tot zorg.
Wetenschappelijke naam
Poecilodryas superciliosa | (Gould, 1847)
John Gould beschreef de soort in 1847, naar materiaal dat John Gilbert in 1845 in het gebied van de Burdekin had verzameld. superciliosa komt van het Latijnse supercilium, 'wenkbrauw', naar de streep die het kenmerk van de soort is — dezelfde gedachte als in de Engelse naam White-browed Robin. Het geslacht Poecilodryas is gevormd uit het Griekse poikilos, 'gevlekt', en dryas, 'bosnimf', naar de witte vlekken op vleugel en staart. Gould zag meteen dat deze soort en de bruinoorvliegenvanger elkaars vertegenwoordigers waren in hun eigen gebieden; latere auteurs voegden ze tussen 1958 en 1994 samen, waarna Schodde en Mason ze weer scheidden. De Nederlandse naam zet de twee tegenover elkaar op de kleur van gezicht en lichaamszijden.


