Alle soortenZangvogelsLeeuweriken › Veldleeuwerik

Veldleeuwerik | Alauda arvensis

Eurasian Skylark | Alondra común

De veldleeuwerik is een onopvallende bruine vogel van open grasland die zichzelf verraadt zodra hij gaat zingen: hij klimt met klapperende vleugels recht omhoog tot hij nog maar een stipje is, blijft daar minutenlang ratelend hangen, en laat zich dan met gevouwen vleugels weer in het gras vallen. In Australië en Nieuw-Zeeland is hij geen inheemse vogel maar een Europese invoer uit de negentiende eeuw, en juist daar hoort hij inmiddels onlosmakelijk bij het geluid van het boerenland.

Veldleeuwerik (Alauda arvensis)
Foto: Alpsdake — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een onafgebroken stroom van heldere, rollende, trillende en piepende tonen, zonder herkenbaar begin of einde, minuten achtereen volgehouden terwijl de vogel hoog in de lucht op één plek blijft hangen; drie tot vijf minuten is gewoon, een kwartier komt voor. Hij zingt het grootste deel van het jaar, ook midden op de dag en zelfs bij matige wind, en soms vanaf een kluit of een paaltje. De roep is een droog, rollend prrit of tsjirrup, meestal gegeven bij het opvliegen; wie over een Nieuw-Zeelandse duinweide loopt hoort dat geluid vlak voordat er een bruine vogel onder zijn voeten wegschiet.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een gedrongen zangvogel van achttien tot negentien centimeter met een korte, stompe kuif die hij bij opwinding of argwaan opzet en anders plat tegen de kop houdt, waardoor de kop dan hoekig en groot lijkt. De bovenzijde is zandbruin met zware donkere lengtestrepen, de onderzijde vuilwit met een fijn gestreepte, warm okerkleurige borst en een ongestreepte buik. Om het oog staat een lichte ring, daarboven een vage lichte wenkbrauwstreep. De snavel is vrij zwaar en hoornkleurig, de poten vleeskleurig met een lange rechte nagel aan de achterteen. In de vlucht zijn twee dingen beslissend: de witte buitenste staartpennen en een smalle maar duidelijke witte achterrand langs de armvleugel. De vleugel is breed en driehoekig, de vlucht golvend en aarzelend. Op de grond loopt en sluipt hij ineengedoken, hij hipt niet.

Verwarrings­soorten

De twee piepers van het gebied, de australische pieper (Anthus australis) en de nieuw-zeelandse pieper (Anthus novaeseelandiae), zijn het grootste struikelblok: die zijn slanker, langstaartiger en fijner gesnaveld, missen de kuif, wippen voortdurend met de staart en hebben géén witte achterrand langs de vleugel. De oosterse struikleeuwerik (Mirafra javanica) van Australië is kleiner en korter van staart, met een roodbruin vleugelveld en een kortere, dikkere snavel. De roetbruine grasvogel (Cincloramphus cruralis) is veel groter en donkerder en mist de witte staartzijden. Onthoud dat wie in Nieuw-Zeeland een zingende vogel hoog in de lucht ziet hangen bijna altijd deze soort voor zich heeft: geen enkele inheemse zangvogel daar zingt zo.

Leefgebied

Volstrekt open land zonder bomen: weiland en ruig grasland, graanakkers en stoppelvelden, tussockgrasland (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland), duinen en zandvlakten achter het strand, vliegvelden, bermen en pas afgebrande of kaalgegraasde hellingen. In Nieuw-Zeeland gaat hij van de kustlijn tot ver boven de boomgrens, tot in de alpiene kruidenvelden. Hij mijdt bos, hoog struweel en elke plek waar de horizon dichtzit, en broedt op de grond in een kommetje tussen het gras.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Van nature een vogel van Europa en de gematigde zone van Azië, van Ierland tot Kamtsjatka. In Nieuw-Zeeland is hij sinds de invoer wijdverbreid over beide hoofdeilanden en veel buiteneilanden, van zeeniveau tot in het hooggebergte, en plaatselijk talrijk op boerenland. In Australië is hij veel beperkter gebleven: hij houdt stand in het zuidoosten rond Melbourne en in delen van Victoria en Zuid-Australië, en op Tasmanië. Dat hij in Nieuw-Zeeland zoveel beter is aangeslagen dan in Australië hangt samen met het klimaat en met de enorme oppervlakte aan ingezaaid weiland die daar na de ontbossing is ontstaan.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem met de oren, niet met de ogen. Loop op een heldere ochtend in het voorjaar een weg langs open weiland, blijf staan zodra je het aanhoudende geratel hoort, en volg het geluid recht omhoog: het stipje staat bijna altijd hoger dan je verwacht, vaak op vijftig tot honderd meter. Zie je hem opvliegen, let dan op de witte achterrand van de vleugel — dat kenmerk sluit in één oogopslag beide piepers uit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het wereldareaal is enorm en de aantallen zijn hoog. Toch is het verhaal in de twee helften van het areaal tegengesteld. In Europa is de soort sinds de jaren zeventig sterk achteruitgegaan door de omschakeling naar wintergranen, het verdwijnen van stoppelvelden en het vaker en vroeger maaien van grasland, dat legsels vernielt; hij geldt daar als een boegbeeld van de teruggang van de akkervogels. In Nieuw-Zeeland en Australië geniet hij als ingevoerde soort geen bescherming en is hij juist algemeen; van de Nieuw-Zeelandse populatie is geen achteruitgang bekend.

Wetenschappelijke naam

Alauda arvensis | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 in het tiende deel van zijn Systema Naturae; de typelocatie was eerst simpelweg Europa en werd in 1951 door Meinertzhagen beperkt tot Uppsala in Zweden. Alauda is het klassiek-Latijnse woord voor leeuwerik, volgens Plinius ontleend aan het Gallisch; arvensis betekent 'van de akkers', van arvum, bouwland. Naar Nieuw-Zeeland werd de vogel vanaf 1864 gebracht door de plaatselijke acclimatisatiegenootschappen van Nelson, Canterbury en Otago, die in de tweede helft van de negentiende eeuw stelselmatig Europese vogels uitzetten — deels uit heimwee naar het geluid van thuis, deels in de overtuiging dat ze insectenplagen zouden bestrijden. De vogel sloeg aan, en werd binnen enkele decennia zo talrijk dat boeren over vraatschade aan jong graan klaagden.