Alle soortenZangvogelsElfjes › Witvleugelelfje

Witvleugelelfje | Malurus leucopterus

White-winged Fairywren | Maluro aliblanco

Het witvleugelelfje is het elfje van het open, droge binnenland: een vogeltje van elf tot dertien centimeter dat in losse groepjes over kale grond tussen lage struiken rent. Het broedende mannetje is op het vasteland diep kobaltblauw met sneeuwwitte vleugels; op twee eilanden voor de westkust is datzelfde mannetje glanzend zwart met witte vleugels.

Witvleugelelfje (Malurus leucopterus)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoge, ijle reeks die met enkele scherpe tsjip-noten begint en overgaat in een snelle, dunne triller: hetzelfde bouwplan als bij de andere elfjes, maar hoger en zwakker, en in de wind van de vlakte al op twintig meter nauwelijks meer te horen. Het contactgeluid is een kort, droog tsjet waarmee het groepje zich bij elkaar houdt terwijl het door de saltbush schuifelt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Elf tot dertien centimeter, waarvan ruim de helft staart, meestal rechtop gedragen. Het mannetje in broedkleed is op het vasteland egaal kobaltblauw, van kruin tot buik, met scherp afstekende witte schouders en witte armpennen en een zwarte snavel; de staart is blauw. Op Dirk Hartog Island en Barrow Island is dat mannetje niet blauw maar glanzend zwart, eveneens met witte vleugels. Het vrouwtje is licht zandbruin tot grijsbruin boven en wit onder, met een bleke, hoornroze snavel en een blauwgrijze staart; roodbruine tekening rond oog en teugel ontbreekt geheel. Het mannetje buiten de broedtijd lijkt op het vrouwtje, maar houdt de zwarte snavel.

Verwarrings­soorten

Van de negen elfjes in deze gids is dit het enige met wit in de vleugel; een blauw mannetje met witte schouders is met niets anders te verwarren. Het prachtelfje (Malurus splendens) komt het dichtst in de buurt, want dat mannetje is eveneens geheel blauw, maar heeft blauwe in plaats van witte vleugels en zit in dichtere struik; de twee delen grote stukken van het droge binnenland. Het roestschouderelfje (Malurus assimilis), dat over vrijwel hetzelfde binnenland verspreid is, heeft een kastanjebruine schoudervlek en een zwarte borstband. Het roodrugelfje (Malurus melanocephalus), dat in het noorden aansluit, heeft een rode rug en een zwarte onderzijde. De moeilijkheid zit bij de vrouwtjes en bij mannetjes in eclipskleed: die zijn bij alle elfjes overwegend bruin. Let dan op de bleke, blauwgrijze staart en op het ontbreken van roodbruin rond het oog, waarmee dit vrouwtje zich onderscheidt van dat van het ornaatelfje (Malurus cyaneus) en van het prachtelfje.

Leefgebied

Laag, open struikgewas van de droge binnenlanden: saltbush- en bluebushvlakten, samphire rond zoutmeren en zoutpannen, spinifex, mulga met open ondergroei en begroeide duinen. Kenmerkend is niet de plantensoort maar de structuur: verspreide lage struiken met kale grond ertussen, waarover de vogels rennen. Dicht bos en hoog opgaande begroeiing mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele droge en halfdroge vasteland van Australië, van de westkust tot in westelijk Queensland en het binnenland van Nieuw-Zuid-Wales. Hij ontbreekt in de natte tropen van het uiterste noorden, in Tasmanië en langs de natte kusten van zuidoost en zuidwest. Daarnaast zijn er twee eilandpopulaties voor de kust van West-Australië, op Dirk Hartog Island en Barrow Island. Standvogel: de groepjes houden jaarrond hetzelfde terrein, al kan de dichtheid na een lange droogte sterk teruglopen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op een struik en niet erin: van alle elfjes gebruikt deze soort het vaakst een open uitkijkpost, vaak het hoogste twijgje van een saltbushstruik, en van daaraf is het blauw met wit al op honderd meter te zien. Verder verraadt het groepje zich door korte sprintjes over open grond. Vroeg in de ochtend zijn de vogels het meest in beweging; in de middaghitte zitten ze stil in de schaduw onder de struiken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over het hele areaal wijd verspreid. Het is een van de weinige zangvogels die het van uitgestrekt, schraal struikland moeten hebben, en juist daar houdt hij stand. Plaatselijk drukken overbegrazing door vee en te vaak of te heet branden op de dichtheid, doordat de lage struiklaag dan verdwijnt. De twee eilandvormen hebben kleine populaties en zijn daardoor gevoelig voor brand en voor ingevoerde katten.

Wetenschappelijke naam

Malurus leucopterus | Quoy & Gaimard, 1824

Quoy en Gaimard beschreven de soort in 1824 in de Dictionnaire des sciences naturelles, naar een vogel van Dirk Hartog Island voor de westkust van Australië. Dat is van belang voor de naam: op dat eiland is het mannetje zwart met witte vleugels, en het wit in de vleugel was dus het kenmerk dat in het oog sprong. leucopterus is Grieks voor witvleugelig, uit leukos (wit) en pteron (vleugel). Het geslacht Malurus voerde Vieillot in 1816 in, uit Grieks malos (zacht) en oura (staart). Dat de blauwe vastelandvogels pas later bekend werden, verklaart waarom de wijdst verspreide vorm een naam draagt die op een eilandvogel slaat.