Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Witvleugelstern

Witvleugelstern | Chlidonias leucopterus

White-winged Tern | Fumarel aliblanco

De witvleugelstern is een kleine moerasstern die elk zuidelijk zomerhalfjaar uit Siberië en Oost-Europa naar Australië komt. In broedkleed is hij het scherpst getekende lid van zijn groep: een gitzwart lijf met zwarte ondervleugeldekveren tegen een spierwitte bovenvleugel, stuit en staart. In de maanden dat wij hem hier zien, is hij meestal al omgekleurd tot een bleek zilvergrijs sterntje dat laag boven ondiep water fladdert en er insecten van het oppervlak plukt zonder ooit te duiken.

Witvleugelstern (Chlidonias leucopterus)
Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het overwinteringsgebied is hij veel stiller dan op de broedplaats, maar boven een goed moeras klinkt geregeld een kort, schor en droog kesj of kreek, harder en raspender dan de roep van de witwangstern. Bij verstoring of wanneer een groep opvliegt volgt een ratelend kek-kek-kek. Verder hoort men vooral het gedempte klapperen van de vleugels wanneer een troepje vlak boven het water langs gaat.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een sterntje van twintig tot drieëntwintig centimeter met een korte, geheel zwarte snavel van nog geen twee en een halve centimeter en opvallend korte rode pootjes. In broedkleed zijn kop, hals, borst, buik en de ondervleugeldekveren zwart, terwijl de bovenvleugeldekveren, de stuit en de staart wit zijn en de handpennen zilvergrijs: een contrast dat op afstand als een zwart-wit knipperlicht werkt. In winterkleed is de bovenzijde bleekgrijs, de onderzijde wit, en springt de witte stuit eruit tegen de grijze mantel en de grijze staart. De kop is dan wit met een zwartbruin gevlekte achterkruin en een losstaande donkere oorvlek; er is geen donkere vlek op de borstzijde. Jonge vogels hebben een donker zadel dat scherp afsteekt tegen bleke vleugels en witte stuit. Het vliegbeeld is licht en wiebelend, met veel dippen naar het wateroppervlak.

Verwarrings­soorten

De witwangstern (Chlidonias hybrida) is de vaste verwarring en komt in dezelfde moerassen voor: groter en forser, met een langere, zwaardere rode snavel, en in winterkleed zonder het witte stuitcontrast — bij hem lopen mantel, stuit en staart in één egale grijze toon door. Ook is de donkere kruintekening van de witwangstern uitgebreider en meer met de oogstreep verbonden, terwijl de witvleugelstern een losse oorvlek houdt die als een koptelefoon oogt. De nieuw-zeelandse stern (Chlidonias albostriatus) is de derde moerasstern van de gids, maar is groter, heeft een oranje snavel en oranje poten en komt alleen in Nieuw-Zeeland voor, waar de witvleugelstern slechts een handvol vogels per jaar levert. De dwergstern (Sternula albifrons) is even klein maar heeft een gele snavel met zwarte punt en een wit voorhoofd, en duikt kopjeonder; het visdiefje (Sterna hirundo) is langer van snavel en staart, grijzer, en stort zich eveneens in het water in plaats van van het oppervlak te plukken.

Leefgebied

Ondiepe zoetwatermoerassen met riet en zeggen, overstroomde vlakten, claypans en efemere meren na regen, oevers van stuwmeren en boerendammen. Daarnaast met grote voorliefde rioolwaterbekkens en zoutwinningsvijvers, waar hij in troepjes boven het water heen en weer pendelt. Aan de kust gebruikt hij estuaria, slikplaten en ondiepe lagunes, maar hij blijft altijd dicht bij ondiep, rustig water en gaat niet de open zee op.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster is hij een regelmatige zomergast, ruwweg van september of oktober tot april. De grootste aantallen zitten in het noorden en oosten van Australië: het Top End, de Kimberley, de kust van Queensland en het Murray-Darlingbekken, met kleinere groepen tot in het zuidwesten en een enkele vogel in Tasmanië. In Nieuw-Zeeland verschijnt hij jaarlijks maar in kleine aantallen, vooral op estuaria van het Noordereiland en langs de Canterbury-kust. Op Norfolk is hij maar bij uitzondering vastgesteld. Broeden doet hij nergens in het gebied; alle vogels hier komen uit Eurazië.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem boven rioolwaterbekkens en ondergelopen vlakten in de zuidelijke zomer, tussen de witwangsterns waar hij zich graag bij aansluit. Kijk bij elke opvliegende vogel eerst naar de stuit: wit dat afsteekt tegen een grijze mantel en grijze staart is de snelste sleutel naar deze soort. Vogels die in maart nog resten zwart op buik en ondervleugel hebben, zijn meteen zeker.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort broedt over een enorm gebied van Oost-Europa tot in het Russische Verre Oosten en heeft een wereldpopulatie in de honderdduizenden, en Australië en Nieuw-Zeeland vormen slechts een deel van het overwinteringsgebied. Lokaal doet het drooglegged of vervuild raken van binnenlandse moerassen afbreuk aan de beschikbare rustplaatsen, maar de soort profiteert elders juist van rioolwaterbekkens en rijstvelden, zodat de aantallen hier vooral met de regenval meebewegen.

Wetenschappelijke naam

Chlidonias leucopterus | (Temminck, 1815)

Temminck beschreef de vogel in 1815 als Sterna leucoptera; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlidonias werd in 1822 ingevoerd door Rafinesque en is een verbasterde weergave van het Griekse khelidonios, 'zwaluwachtig', naar khelidon, 'zwaluw' — een verwijzing naar de lichte, wiebelende vlucht van de moerassterns. leucopterus is gevormd uit leukos, 'wit', en pteron, 'vleugel', naar de witte bovenvleugel van de broedvogel. De typelocatie ligt aan de Middellandse-Zeekust.