Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Zwartsnavelmeeuw

Zwartsnavelmeeuw | Chroicocephalus bulleri

Black-billed Gull | Gaviota maorí

De zwartsnavelmeeuw is de enige meeuw ter wereld die in hoofdzaak op de grindbanken van vlechtende rivieren broedt, en hij komt alleen in Nieuw-Zeeland voor. Het is een tengere, bleke meeuw met lange vleugels en een opvallend lange, dunne, gitzwarte snavel — precies het kenmerk dat hem scheidt van de alomtegenwoordige witkopmeeuw. In het Māori heet hij tarāpuka, en hij is het levende gezicht van de bedreigde rivierbeddingen van het Zuidereiland.

Zwartsnavelmeeuw (Chroicocephalus bulleri)
Foto: Paul Davey — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Boven een kolonie hangt een aanhoudend, hoog geratel: korte, scherpe kak- en krie-roepen die door honderden vogels tegelijk worden gegeven en samen een schel gekwetter vormen dat van ver over de rivier draagt. De alarmroep bij een overvliegende kelpmeeuw of kiekendief is een hard, herhaald kek-kek-kek, waarop de hele kolonie als één wolk opstijgt en de indringer omringt. De stem is ijler en hoger dan het schorre gekrijs van de witkopmeeuw.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine, slanke meeuw van rond de zevenendertig centimeter, met een witte kop, hals en onderzijde en een zeer bleke, parelgrijze mantel — lichter dan bij elke andere meeuw hier. De snavel is hét kenmerk: lang, dun, recht en bij de volwassen vogel geheel zwart, soms met een donkerrode gloed aan de basis. De poten zijn zwart tot donker roodzwart en het oog is wit met een dunne donkere ring. In de vlucht valt op hoeveel wit er in de buitenvleugel zit: de handpennen zijn grotendeels wit, met alleen een smalle zwarte streep langs de voorrand en de punt, waar de witkopmeeuw een brede zwarte punt met witte spiegels heeft. Jonge vogels hebben een vleeskleurige snavel met zwarte punt, bruine tekening op de vleugel en een zwarte staartband. Een kap krijgt hij nooit.

Verwarrings­soorten

De witkopmeeuw (Chroicocephalus novaehollandiae) is het hele probleem, want die staat in Nieuw-Zeeland overal en vaak op dezelfde strandjes en grasvelden. Volwassen vogels zijn eenvoudig uit elkaar te houden: fel oranjerode snavel en poten bij de witkopmeeuw, geheel zwarte snavel en poten bij de zwartsnavelmeeuw, en bij de laatste een duidelijk blekere mantel. De valkuil is de jonge witkopmeeuw, die een donkere snavel en donkere poten heeft — kijk dan naar de vleugelpunt (bij de zwartsnavelmeeuw grotendeels wit met een dunne zwarte rand, bij de witkopmeeuw een brede zwarte punt) en naar de snavelvorm, die hier langer en fijner is, en naar de grove bruine schoudervlekken die de jonge witkopmeeuw wél heeft. De kelpmeeuw (Larus dominicanus) is drie keer zo zwaar en zwart van mantel. De Amerikaanse dwaalgasten franklins meeuw (Leucophaeus pipixcan) en amerikaanse lachmeeuw (Leucophaeus atricilla) hebben een donkergrijze mantel en in de zomer een zwarte kap, wat deze soort nooit krijgt.

Leefgebied

In het broedseizoen de kale grind- en zandbanken van vlechtende rivieren, waar hij in dichte kolonies van honderden tot duizenden paren op een eilandje gaat zitten dat door stromend water omringd is; daarnaast, in mindere mate, de oevers van meren. Voedsel zoekt hij op het omliggende boerenland, waar hij achter de ploeg loopt en regenwormen en emelten oppikt, en boven de rivier zelf, waar hij haften en kokerjuffers uit de lucht en van het wateroppervlak plukt. Buiten de broedtijd trekt hij naar estuaria, havens en de grasvelden en parken van de kuststeden.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Nieuw-Zeeland en nergens anders ter wereld broedend; in de tellingen van deze gids komt geen enkele waarneming uit Australië of van Norfolk. Het zwaartepunt ligt op het Zuidereiland, op de vlechtende rivieren van Southland, Otago en Canterbury — de Oreti, de Mataura, de Aparima, de Rangitata, de Rakaia en de Waitaki. Op het Noordereiland is hij veel schaarser, met kolonies bij de meren van Rotorua, in de Bay of Plenty en langs de rivieren van het vulkanische plateau. In de winter verschuift vrijwel de hele populatie naar de kust, en dan staat hij in Invercargill, Dunedin en Christchurch gewoon tussen de witkopmeeuwen op het gras.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wil je hem zeker zien, ga dan tussen oktober en december naar een brug over een Zuidereilandse vlechtende rivier — de Oreti bij Invercargill of de Rakaia — en kijk naar de grindeilandjes: een kolonie verraadt zich van een kilometer ver door het aanhoudende geratel en de witte wolk die bij elke verstoring opstijgt. In de winter is het veel eenvoudiger: loop in een Zuidereilandse stad langs de meeuwen op het gras en zoek naar zwarte snavels. Blijf in het broedseizoen van de rivierbeddingen af; één keer opjagen kost een kolonie een hele legsel.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT), en in Nieuw-Zeeland zelf al decennialang een zorgenkind: de soort wordt vaak de meest bedreigde meeuw ter wereld genoemd, en de kolonies op het Zuidereiland zijn sinds de jaren zeventig fors teruggelopen. De oorzaken liggen bijna allemaal op de rivier zelf. Ingevoerde roofdieren — hermelijnen, fretten, egels, verwilderde katten en ratten — lopen een kolonie binnen zodra een grindeiland droogvalt en de doorwaadbare geul dichtslibt. Uitheemse planten, vooral lupine, brem en wilg, laten de kale grindbanken dichtgroeien, zodat er geen open broedplaats overblijft én de roofdieren dekking krijgen. Waterwinning en rivierkanalisatie verkleinen het vlechtende systeem, terwijl voorjaarshoogwater complete kolonies in één nacht kan wegspoelen. Daar bovenop komen kelpmeeuwen en kiekendieven die de kolonies leegroven, en quads en terreinwagens die nesten op de rivierbedding vertrappen. Het beheer richt zich daarom op het wegvangen van roofdieren rond kolonies, het terugdringen van lupine en wilg, en het vrijhouden van de rivierbeddingen tijdens het broedseizoen.

Wetenschappelijke naam

Chroicocephalus bulleri | (Hutton, 1871)

Hutton beschreef de soort in 1871 als Larus bulleri; omdat ze later naar Chroicocephalus is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chroicocephalus werd in 1836 ingevoerd door Eyton en is gevormd uit het Griekse khrōikos, 'gekleurd', en -kephalos, '-koppig', naar de gekleurde kap van de meeste soorten van dat geslacht — een kap die juist deze soort en de witkopmeeuw missen. Het epitheton bulleri eert Sir Walter Lawry Buller, de Nieuw-Zeelandse jurist en ornitholoog van A History of the Birds of New Zealand. De typelocatie ligt in Nieuw-Zeeland; de Māori-naam tarāpuka is er algemeen in gebruik.