Alle soorten › Zangvogels › Spitsvogels, orgelvogels en verwanten › Zilverrugorgelvogel

Zilverrugorgelvogel | Cracticus argenteus

Silver-backed Butcherbird | Verdugo plateado

De zilverrugorgelvogel is de orgelvogel van het tropische noordwesten: een zwart-witte jager met een zware, blauwgrijze haaksnavel en een bleke, zilvergrijze rug, van de Kimberley tot Arnhemland. Lang gold hij als noordelijke vorm van de grijsrugorgelvogel; deze gids voert hem weer als eigen soort, en daarmee is hij een endeem van het Australische noorden.

Zilverrugorgelvogel (Cracticus argenteus)
Foto: Graham Winterflood — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is rijk en fluitend, met heldere, orgelachtige tonen en rollende frasen, en wordt net als bij de grijsrugorgelvogel vaak door een paar in duet gegeven, het meest rond zonsopgang. Voor zover beschreven verschilt het geluid nauwelijks van dat van die soort. Daarnaast klinkt een hard, ratelend scheldgeluid, vooral bij het nest, waar de vogels ook op mensen en honden duiken.

Luister: ZangXC391099

Opname: Nigel Young — CC BY-NC-SA 4.0 · Banyan Caravan Park, Rum Jungle, Coomalie Shire, Northern Territory, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een compacte orgelvogel van ongeveer 24 tot 30 centimeter met een grote kop en een zware, blauwgrijze snavel met zwarte haakpunt. Kop en gezicht zijn zwart, de keel wit, en een witte halsband scheidt de kap van de rug. Die rug is bleek zilvergrijs, lichter dan bij de grijsrugorgelvogel, en steekt scherp af tegen de zwarte vleugels met hun lange witte streep; de onderzijde is helder wit, de staart zwart met witte punten. Jonge vogels zijn bruiner, met een olijfbruine in plaats van zwarte kap, en zijn pas tegen het eind van hun tweede jaar volledig uitgekleurd.

Verwarrings­soorten

De grijsrugorgelvogel (Cracticus torquatus) is bijna gelijk, maar heeft een donkerder grijze rug; de twee sluiten in het noorden op elkaar aan en overlappen nauwelijks, dus het areaal is het beste houvast: een orgelvogel met grijze rug in het noorden van de Kimberley of in de Top End is deze soort. De zwartkeelorgelvogel (C. nigrogularis), die in hetzelfde gebied algemeen is, is groter en heeft een zwarte bef tot op de borst en een zwarte mantel. De zwarte orgelvogel (Melloria quoyi) van mangrove en moessonbos is geheel zwart.

Leefgebied

Open savannebos met eucalyptus en een grazige ondergroei, droog open bos en de randen van moessonbos en lianenstruweel. Zoals alle orgelvogels heeft hij een uitkijkpost nodig boven open grond, waarvandaan hij zich op insecten, skinken, muizen en kleine vogels laat vallen; kleine vogels slaat hij soms ook in de vlucht. In Darwin en andere plaatsen in het noorden komt hij ook in tuinen en parken met grote bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Alleen het noorden van Australië, van de Kimberley in het noorden van West-Australië tot de Top End en Arnhemland in het Noordelijk Territorium; niet in Nieuw-Zeeland. Er worden twee ondersoorten onderscheiden, argenteus en colletti. Zuidelijker neemt de grijsrugorgelvogel het over. Standvogel: paren houden het hele jaar hun territorium. Omdat veel waarnemers de soort nog als grijsrugorgelvogel melden, geeft de kaart het areaal maar ten dele weer.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In Darwin, in Kakadu en rond Kununurra is dit de gewone orgelvogel van campings, parken en bosranden. Luister bij het eerste licht naar het duet en zoek de vogel dan op een kale tak of paal met vrij zicht. Let op de rug: zilvergrijs, in fel licht bijna wit, tussen de zwarte kap en de zwarte vleugels. Blijf bij een nest op afstand, want de oudervogels duiken er fel op af.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort is in haar areaal wijdverbreid en plaatselijk algemeen, ook in en rond dorpen en steden, en er zijn geen aanwijzingen voor een achteruitgang. Het savannebos van het noorden is nog grotendeels intact; veranderende brandregimes, met grote, hete branden laat in de droge tijd, zijn de factor die voor de vogels van dit landschap het meest in de gaten wordt gehouden.

Wetenschappelijke naam

Cracticus argenteus | Gould, 1841

Gould beschreef de soort in 1841 als Cracticus argenteus, in het geslacht waarin ze nog staat, dus auteur en jaartal blijven zonder haakjes. Later werd ze lang als ondersoort van de grijsrugorgelvogel gevoerd, tot ze weer als soort werd erkend. Het geslacht Cracticus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, naar het Griekse kraktikos, 'luidruchtig'; argenteus is Latijn voor 'zilveren', naar de rug. De typelocatie luidt 'noordwestkust van Australië', met het type uit Port Essington op het schiereiland Cobourg. De Nederlandse, Engelse en Spaanse namen benoemen alle drie de zilveren rug.