Alle soorten › Uilen › Kerkuilen › Zwarte kerkuil

Zwarte kerkuil | Tyto tenebricosa

Sooty Owl | Lechuza tenebrosa

De zwarte kerkuil is de donkerste uil van Australië: roetzwart tot leigrijs, fijn wit gespikkeld, met enorme zwarte ogen in een zwaar omrand hartvormig masker. Hij houdt zich op in de natte kloven van het zuidoosten en jaagt daar op boombewonende buideldieren. Wie hem vindt, vindt hem meestal op het gehoor.

Zwarte kerkuil (Tyto tenebricosa)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het bekendste geluid is een doordringende gil die tot twee seconden aanhoudt en dwars door een kloof snijdt. Daarnaast klinkt een lange fluittoon die traag in toonhoogte wegzakt en daarom de vallende bom heet: tsjiiiiuuw. Bij het nest en tussen partners is er een snel, insectachtig getjirp dat op enige afstand niet meer als uilengeluid overkomt. Alles komt na het volledig donker worden en vrijwel altijd vanuit de diepte van een kloof, zelden van een open kam.

Luister: DuetXC1175142

Opname: Carlos Bocos — CC BY-NC-SA 4.0 · klalik equidna park, Indonesia · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen kerkuil met een grote ronde kop, een opvallend korte staart en zware, dicht bevederde poten met grote klauwen. Het kleed is roetzwart tot donker leigrijs met fijne witte spikkels op kruin, mantel en vleugeldekveren, de onderzijde iets lichter en dichter gespikkeld. De gezichtssluier is zilvergrijs tot roetzwart, wordt met de jaren donkerder en draagt een zware zwarte rand rond zeer grote donkere ogen. Het vrouwtje is bleker dan het mannetje en met 41 tot 50 centimeter en driekwart tot ruim een kilo veel groter en zwaarder; het mannetje meet 37 tot 43 centimeter en weegt een halve tot zevenhonderd gram. Jonge vogels vliegen uit in een kleed dat al bijna op dat van de oude vogels lijkt, met weinig dons meer over.

Verwarrings­soorten

De Australische kerkuil (Tyto novaehollandiae) leeft in hetzelfde bos maar is bruin tot okerkleurig van boven en licht van onder, met een langere staart; een uil die vanboven én vanonder donker is, is deze niet. De oostelijke kerkuil (Tyto javanica) is bleek goudbruin met een wit masker en hoort in open land, niet in kloofbos. De grote boeboekuil (Ninox strenua) jaagt op dezelfde buideldieren in hetzelfde bos, maar heeft gele ogen, geen gezichtssluier en een grove V-tekening op de onderzijde. De kleinere, dichter gespikkelde vogels van noordoostelijk Queensland worden in sommige lijsten als eigen soort gevoerd; deze gids doet dat niet.

Leefgebied

Hoog, vochtig eucalyptusbos met diepe kloven, boomvarens en gladde gomboomstammen, en de randen van regenwoud die daartegenaan liggen. Overdag rust hij in een grote holte, in een gordijn van lianen of in een grot of onder een overhangende rotswand; die schuilplaatsen bepalen zijn voorkomen even sterk als het jachtgebied. Droog, open bos en boomloos land gebruikt hij niet, en waar de kloven droogvallen verdwijnt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Beperkt tot de kust en de bergketens van zuidoostelijk Australië, van de Sunshine Coast in Queensland zuidwaarts tot oostelijk Victoria, met een afzonderlijke populatie in de Wet Tropics van noordoostelijk Queensland, en daarnaast in de bergbossen van Nieuw-Guinea. Hij is standvogel en verplaatst zich weinig; jonge vogels zwerven over korte afstand. Het areaal is de laatste eeuw versnipperd geraakt doordat oud bos met grote holten is gekapt, waardoor tussen de bezette kloven steeds meer leeg bos ligt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga ruim na het invallen van de duisternis in een natte kloof met boomvarens staan en wacht op de gil; overdag is de soort vrijwel onvindbaar. Een verse braakbal met de botten van een ringstaartkoeskoes onder een gladde gomboom is een betrouwbaarder aanwijzing van een vaste rustplaats dan een losse waarneming. Speel in het broedseizoen geen geluid af.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op de wereldlijst, met een groot maar dun bezet areaal. De zwaarste beperking is het verlies van oud bos met grote nestholten, want zonder holte broedt hij niet; daarbij verdwijnt met de grote boombewonende buideldieren ook zijn voedsel. Zware bosbranden treffen juist de natte kloven waarin hij zit, en na een brand duurt het tientallen jaren voor er weer holten zijn.

Wetenschappelijke naam

Tyto tenebricosa | (Gould, 1845)

Gould beschreef de soort in 1845 als Strix tenebricosus; omdat ze daarna naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tyto werd in 1828 ingevoerd door Billberg en is het Griekse woord voor uil. Het epitheton tenebricosa betekent 'vol duisternis', naar het roetzwarte kleed. De typelocatie zijn de brushes — de dichte kloofbossen — van de Clarence River in Nieuw-Zuid-Wales. Omdat deze gids de vogels van noordoostelijk Queensland niet apart voert, luidt de Engelse naam hier Sooty Owl en niet Greater Sooty Owl.