Alle soortenZangvogelsSpitsvogels, orgelvogels en verwanten › Zwarte klauwierkraai

Zwarte klauwierkraai | Strepera fuliginosa

Black Currawong | Verdugo fuliginoso

De zwarte klauwierkraai is de grote zwarte vogel van het Tasmaanse hoogland: bij elke parkeerplaats, schuilhut en picknicktafel in het bergbos duikt binnen tien minuten een troep op, met gele ogen, een zware haaksnavel en een stem die klinkt alsof er ruzie wordt gemaakt. Ze komt nergens anders ter wereld voor dan op Tasmanië en de eilanden in Straat Bass.

Zwarte klauwierkraai (Strepera fuliginosa)
Foto: DiverDave — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, rauwe reeks die vaak als kar-week week kar-week wordt weergegeven: onregelmatig, schorrig en alarmerend van toon, heel anders dan het heldere metalige klink van de grijze klauwierkraai op hetzelfde eiland. Troepen roepen door elkaar heen, vooral 's ochtends en als er onraad of voedsel is. Daarnaast klinken lage kraakgeluiden en bedelende jongen met een hoog, aanhoudend gekrijs.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een forse, kraaiachtige zangvogel van 46 tot 49 centimeter, roetzwart over het hele lichaam op een klein wit veld aan de vleugelpunten en een smalle witte staartpunt na; een witte stuit ontbreekt. Het oog is helder geel, de snavel zwaar, zwart en aan de punt gehaakt, en de poten zijn stevig. De staart is naar verhouding kort, wat de vogel een gedrongen indruk geeft. Jonge vogels zijn doffer, met een bruinere waas en een donkerder oog.

Verwarrings­soorten

De grijze klauwierkraai (Strepera versicolor), op Tasmanië vertegenwoordigd door de ondersoort arguta, is valer grijs, langstaartiger, heeft een veel grotere witte vleugelvlek en roept metalig klink — de twee soorten leven op het eiland naast elkaar, dus alleen 'helemaal zwart' is geen bewijs. De Tasmaanse raaf (Corvus tasmanicus) is even groot maar heeft een wit oog, geen enkel wit in vleugel of staart en een diepe, hese korr-korr-roep. De bonte klauwierkraai (S. graculina) ontbreekt op Tasmanië.

Leefgebied

Nat eucalyptusbos, zuidelijk beukenbos en regenwoud in de bergen, droog eucalyptusbos, en boven de boomgrens subalpiene struik- en kruidenvelden. In de winter zakken veel vogels naar lager gelegen bos, boerenland, kustbos en de randen van dorpen. Berghutten, skidorpen en picknickplaatsen zijn geliefde foerageerplekken; de soort is daar opvallend brutaal.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch op Tasmanië en de eilanden in Straat Bass, met een eigen ondersoort op King Island en op de Furneaux-eilanden. Op het Australische vasteland komt de soort niet voor. Standvogel, maar met duidelijke hoogtetrek: broeden in het bergbos, overwinteren lager en dichter bij de kust.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Een volledig zwarte, geelogige vogel in het Tasmaanse bergbos is vrijwel zeker deze soort — controleer toch de vleugelpunt op het kleine witte veld. Laat bij twijfel de stem beslissen: rauw en onregelmatig hier, helder metalig bij de grijze klauwierkraai. Kijk op parkeerplaatsen in nationale parken: nergens is de soort zo makkelijk van dichtbij te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en op Tasmanië zelf algemeen. De eilandpopulaties liggen gevoeliger: de vogels van King Island gelden als zeldzaam en kwetsbaar, doordat het oorspronkelijke bos daar voor het grootste deel is gekapt. Op het hoofdeiland zijn de bossen nog uitgestrekt; wel brengt de gewoonte om bij mensen te eten conflicten en verkeersslachtoffers met zich mee.

Wetenschappelijke naam

Strepera fuliginosa | (Gould, 1837)

Gould beschreef de soort in 1837 als Coronica fuliginosa, met als typelocatie Van Diemensland, het huidige Tasmanië; door de verhuizing naar Strepera staan auteur en jaartal tussen haakjes. Strepera gaat terug op het Latijnse streperus, 'lawaaierig', en fuliginosa op fuligo, 'roet' — roetzwart, precies wat de Nederlandse naam zegt.