Alle soortenZangvogelsSpitsvogels, orgelvogels en verwanten › Bonte klauwierkraai

Bonte klauwierkraai | Strepera graculina

Pied Currawong | Verdugo pío

De bonte klauwierkraai is de grote zwarte vogel met het gele oog die in oostelijk Australië de winter aankondigt: zodra het in de bergen koud wordt, zakken de troepen af naar de laaglanden en de steden, waar hun galmende koera-wong over de daken klinkt. Hij is roofdier, vruchteneter en aaseter tegelijk, en hangt zijn buit als een klauwier in een tweesprong te drogen.

Bonte klauwierkraai (Strepera graculina)
Foto: Stu's Images — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is luid, galmend en tweelettergrepig — ka-dauw-ka-dang, in het Engels weergegeven als curra-wong — en wordt door troepen in koor gegeven, vooral bij zonsopgang en voor regen. Daarnaast klinkt een hoog, oplopend fluitsignaal als een wolvenfluit, wieoo, en een diep, hees gekras. In de winter is dat koor in menige buitenwijk het eerste geluid van de dag.

Luister: VluchtroepXC443115

Opname: James Ray — CC BY-SA 4.0 · Faulconbridge, Blue Mountains City Council, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een forse, langstaartige vogel van 44 tot 51 centimeter, geheel zwart op de witte tekening na: een witte vlek aan de basis van de handpennen die in de vlucht als een venster oplicht, een witte stuit en onderstaart, en een brede witte staartpunt met wit aan de staartbasis. Het oog is helder geel, de snavel zwaar, zwart en aan de punt gehaakt. Vrouwtjes zijn onder vaak wat grijzer, jonge vogels doffer en bruiner.

Verwarrings­soorten

De grijze klauwierkraai (Strepera versicolor) is valer grijszwart, heeft een grotere witte vleugelvlek en mist de witte stuit; de zwarte klauwierkraai (S. fuliginosa) van Tasmanië is geheel zwart op de vleugelpunten na. De zwartrugfluitvogel heeft een witte nek en rug, een lichtblauwe snavel en een roodbruin oog. Australische raaf en kleine raaf zijn effen zwart met een wit oog en zonder wit in vleugel of staart.

Leefgebied

Nat bergbos en droog eucalyptusbos zijn het broedgebied; in de winter komen tuinen, parken, straatbomen en de bebouwde kom daar in volle omvang bij. Hij foerageert overal: in de kroon, op gazons, langs wegen, bij vuilnisbakken en picknickplaatsen. Regenwoudranden en beplante voorsteden met vruchtdragende struiken zijn in het koude jaargetijde zijn beste voedselgebied.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Oostelijk Australië, van Kaap York in het noorden tot Victoria, en met een eigen ondersoort op Lord Howe Island; op Tasmanië ontbreekt hij, waar de zwarte klauwierkraai zijn plaats inneemt. Zes ondersoorten. In het zuidoosten is het een hoogtetrekker: bergvogels zakken in juni en juli naar de kust en de steden af en trekken in september weer omhoog om te broeden.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Luister in de winter bij het eerste licht in een buitenwijk: het koor van een troep bepaalt de soort al voordat je een vogel ziet. Kijk bij overvliegende vogels naar het witte venster in de vleugel en de witte staartbasis. Zoek in een boomvork of aan een prikkeldraad naar een voorraadkast: een hagedis, een jonge vogel of een stuk vlees dat is opgehangen voor later.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en in aantal toegenomen: beplante voorsteden en uitheemse vruchtstruiken hebben de winteroverleving verbeterd. Dat heeft een keerzijde. De soort plundert nesten van kleine zangvogels, en op Cabbage Tree Island bleek het wegvangen van klauwierkraaien nodig om een bedreigde stormvogel te laten herstellen; bovendien verspreidt ze de zaden van liguster, kamferboom en aspergevaren. De westelijke ondersoort ashbyi is vrijwel verdwenen.

Wetenschappelijke naam

Strepera graculina | (Shaw, 1790)

Shaw beschreef de soort in 1790 als Corvus graculinus, bij de kraaien; door de verhuizing staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Strepera werd in 1831 ingevoerd door Lesson, naar het Latijnse streperus, 'lawaaierig'. graculina betekent 'kauwachtig', van graculus, 'kauw'. De typelocatie ligt bij Sydney in Nieuw-Zuid-Wales.