Alle soorten › Uilen › Kerkuilen › Amerikaanse kerkuil
Amerikaanse kerkuil | Tyto furcata
American Barn Owl | Lechuza de campanario
De Amerikaanse kerkuil is de bleke uil van open boerenland, die 's nachts in het licht van de koplampen als een witte schim over de berm zweeft en overdag in een schuur of een holle boom verdwijnt. In de indeling die deze gids volgt is hij een eigen soort, los van de Europese kerkuil (Tyto alba): de Amerikaanse vogel is groter en zwaarder gespikkeld.
Geluid
De schreeuw wordt in de vlucht uitgestoten, meestal door het mannetje dat 's avonds zijn territorium afgaat, en klinkt als scheurend linnen: hij komt onaangekondigd uit het donker en is buiten alle verhouding hard voor zo'n lichte vogel. Wie hem voor het eerst hoort, denkt eerder aan een mens of een vos dan aan een uil. Bij de nestholte wisselt het paar zachte, snorrende en tjirpende geluidjes uit die maar een meter of tien dragen en die je alleen hoort als je er dicht bij staat. Een jagende kerkuil hoor je echter niet: door de zachte kam op de voorrand van de vleugel is de vlucht volkomen geluidloos, en hij kan vlak over je heen gaan zonder dat je iets merkt.
Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · Itaguatins, Itaguatins, Tocantins, Brazil · xeno-canto
Herkenning
Van onderen wit tot licht roestgeel met fijne zwarte spikkeltjes; van boven goudbruin en asgrijs gemarmerd, bestrooid met witte en zwarte speldenkopjes. Het hartvormige gezicht is wit en scherp omrand, de ogen zijn klein, zwart en glanzend, en de kop is smal en hoog. Vrouwtjes zijn gemiddeld donkerder, geler en zwaarder gespikkeld dan mannetjes, die van onderen bijna zuiver wit kunnen zijn; het verschil is groot genoeg om in een nestkast man en vrouw uit elkaar te houden. Jonge vogels zijn na het uitvliegen al bijna niet meer van hun ouders te onderscheiden. In koplampen zie je een grote, bleke, kortstaartige vogel met lange vleugels die laag over de berm draait.
Verwarringssoorten
De velduil (Asio flammeus), op Hawaï de pueo, jaagt in hetzelfde open land en soms nog bij daglicht: hij is okerbruin en gestreept, heeft gele ogen in een donker omrand gezicht en vliegt met diepe, motachtige slagen. De sneeuwuil is in het noorden de andere witte uil, maar veel zwaarder gebouwd, met gele ogen en dwarsgebandeerd wit, en zit overdag open en bloot op de grond of op een paal. Een kerkuil die in koplampen oplicht, wordt geregeld voor een overvliegende meeuw of zelfs een kleine reiger aangezien; de brede ronde kop, de korte staart en de trage draaiende vlucht maken daar snel een eind aan.
Leefgebied
Open, laag land met veel muizen: weiland, akkerranden en stoppel, prairie, ruige bermen en dijken, moerasranden, en in het zuidwesten ook woestijnstruweel en akkerbouw op irrigatiewater. Voor het nest is een donkere, droge holte nodig — een schuur, een kerktoren, een holle boom, een rotsspleet, een steile oeverwand of een nestkast — en die holte bepaalt vaak meer dan het jachtterrein waar hij zit. Gesloten bos en hooggebergte mijdt hij. Waar de sneeuw lang blijft liggen houdt hij het niet: hij legt nauwelijks vetreserve aan en komt niet door een sneeuwkorst heen bij zijn prooi.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van zuidelijk Brits-Columbia en het zuiden van Ontario door de hele Verenigde Staten, Mexico, Midden-Amerika en een deel van de Antillen, en van daar verder tot diep in Zuid-Amerika, dat buiten het gidsgebied valt. De noordgrens ligt niet vast: hij schuift op waar schuren, nestkasten en zacht winterweer hem houvast geven, en valt na een strenge winter met veel sneeuw weer terug. Op Hawaï hoort hij niet thuis. Tussen 1958 en 1963 werden daar 86 vogels losgelaten om ratten in de landbouwgebieden te bestrijden; de soort vestigde zich op alle grote eilanden, ving vooral muizen in plaats van ratten, en maakt er nu zelf jacht op inheemse zeevogels.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in het eerste uur na zonsondergang stapvoets langs open weiland en irrigatiegreppels en kijk laag: een kerkuil jaagt vlak boven de grond en steekt vaak pal voor de auto de weg over. Diezelfde bermen zijn ook waar hij sneuvelt, dus houd het langzaam. Op stille avonden in het late voorjaar verraadt een bezette schuur zich door de schreeuw van het mannetje dat zijn ronde vliegt; kijk dan vanaf een afstand naar de nok en ga niet naar binnen, want een verstoord paar verlaat het legsel.
Staat van instandhouding
De IUCN heeft de Amerikaanse kerkuil na de afsplitsing nog niet apart beoordeeld: hij staat te boek als NE, niet geëvalueerd (NE), en de Rode Lijst gaat nog over de ruim opgevatte kerkuil. Voor die ruime soort kwam Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) op 3,6 miljoen vogels, met een lichte toename tussen 1966 en 2021. Wat hem in Noord-Amerika bedreigt is wél bekend: rattengif dat zich in muizen ophoopt en de uil bereikt, aanrijdingen langs snelwegen waar de berm zijn beste jachtterrein is, en het verdwijnen van oude schuren en holle bomen. Nestkasten in akkerland worden snel betrokken en vormen een tegenwicht.
Wetenschappelijke naam
Tyto furcata | (Temminck, 1827)
Temminck beschreef de soort in 1827 als Strix furcata, naar een vogel van Cuba; omdat ze later naar Tyto is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tyto werd in 1828 ingevoerd door Billberg, naar het Griekse tutō, 'nachtuil', een woord dat de roep nabootst. furcatus is Latijn voor 'gevorkt'. De Europese kerkuil draagt de naam Tyto alba, die Scopoli in 1769 aan een vogel uit Friuli gaf; nu beide als aparte soorten worden gevoerd, hoort bij de Amerikaanse vogel de naam van Temminck, met Cuba als typelocatie.




