Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse regenwulp
Amerikaanse regenwulp | Numenius hudsonicus
Hudsonian Whimbrel | Zarapito Trinador Americano
De Amerikaanse regenwulp is de wulp van de Noord-Amerikaanse kust: een grote bruine steltloper met een lange, geknikte, omlaag gebogen snavel en een streepkop, die op het wad achter wenkkrabben aan loopt. In het najaar verzamelt hij zich op de Atlantische kust en vliegt van daar in één ruk over open oceaan naar Zuid-Amerika. Tot voor kort werd hij bij de Europese regenwulp gerekend; sinds 2024 geldt hij als eigen soort, en de Rode Lijst heeft hem daarom nog niet geëvalueerd.
Geluid
Het herkenningsteken is de vluchtroep: een gelijkmatige, rammelende reeks van vijf tot zeven korte fluittonen op één toonhoogte, pi-pi-pi-pi-pi-pi, die snel begint en even snel ophoudt. Boven het wad en langs de kust is dat geluid vrijwel altijd het eerste dat op de soort wijst, ook 's nachts boven land. Op de broedtoendra brengt het mannetje in een langzame baltsvlucht een lang, bellend trillergeluid voort dat aanzwelt en weer wegsterft. Bij onrust bij het nest klinkt een hard, herhaald kwiek. Anders dan de zuidzeewulp roept hij nooit met een helder tweelettergrepig fluitje.
Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · Carnaubinha Praia Resort - Luís Correia, Piauí, Brazil · xeno-canto
Herkenning
Een grote, stevige steltloper met een lange, naar beneden gebogen snavel die eerder een knik dan een gelijkmatige boog maakt; hij is donker met een vleeskleurige basis aan de ondersnavel. De kop is scherp gestreept: een donkerbruine kruin met een bleke middenstreep erdoorheen, en een donkere oogstreep onder een bleke wenkbrauw. De bovenzijde is grijsbruin met bleke veerranden, de onderzijde vaal geelbruin met nette donkere streepjes op hals en borst en dwarsstreping op de flanken. De stuit is bruin en niet lichter dan de rug, en de ondervleugel is grijsbruin en gebandeerd. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit; het vrouwtje is groter en heeft de langste snavel. Vogels uit Alaska en het noordwesten van Canada zijn donkerder en warmer van kleur dan die van de Hudsonbaai.
Verwarringssoorten
De regenwulp (Numenius phaeopus) van Eurazië is een zeldzame gast aan beide kusten en verschilt in de vlucht meteen: die heeft een witte wig omhoog over de rug en een witte ondervleugel, waar de Amerikaanse regenwulp bruin blijft. De zuidzeewulp is even groot en even gestreept van kop, maar warmer en grover gevlekt, met een egale bleke buik en een helder kaneelkleurige stuit, en zijn roep is een helder tweetonig fluitje. De Amerikaanse wulp is duidelijk groter, heeft een veel langere snavel, een egale ongestreepte kop en een kaneelkleurige ondervleugel. De marmergrutto heeft een lange, rechte tot licht opgewipte snavel en is warm kaneelbruin van onder.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Broedt op open subarctische toendra en op de struikige randen van veenland, meestal op een paar kilometer van de kust of van een rivier. Buiten het broedseizoen is hij een kustvogel: slikplaten, kwelders, mangrove, rotsige oevers, zandstranden en ondergelopen weilanden vlak achter de zeedijk. In het zuiden leeft hij grotendeels van wenkkrabben, die hij met de gebogen snavel uit hun holen haalt, en op de toendra schakelt hij vóór het vertrek over op kraaiheide- en bosbessen. Binnenland zonder water mijdt hij, behalve als kort verblijf op doortrek.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Er zijn twee broedgebieden: het westen van Alaska met het noordwesten van Canada, en de kust van de Hudsonbaai en de Jamesbaai in Manitoba en Ontario. De overwinteringsgebieden liggen langs de kusten, van Californië en de Golf van Mexico zuidwaarts door Mexico, Midden-Amerika en de Caraïben tot in Brazilië en Chili; dat zuidelijke deel valt buiten dit gidsgebied. In het voorjaar trekt hij langs de Atlantische en de Grote Oceaankust omhoog, met grote verzamelplaatsen in South Carolina en Virginia; in de nazomer verlaat een deel van de vogels de kust van oostelijk Noord-Amerika en steekt in één vlucht de open oceaan over, zodat orkanen ze soms bij honderden aan land drukken. De negentiende-eeuwse jacht op de trekpleisters heeft de aantallen zwaar aangetast; sindsdien zijn ze deels hersteld, maar de tellingen van de laatste decennia wijzen weer omlaag.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga van eind juli tot september bij opkomend tij naar een groot slikgebied en wacht bij de hoogwatervluchtplaats: de vogels komen in kleine groepjes binnen en verraden zich met de rammelende fluitreeks al voordat ze in beeld zijn. In mei zijn de zandbanken van South Carolina en de oostkust van Virginia de beste plaatsen, met avondinvallen van duizenden vogels. Kijk bij elke wegvliegende vogel naar de rug: een witte wig omhoog over de rug betekent dat je met de Euraziatische soort te maken hebt, en dat is aan deze kant van de oceaan een vondst.
Staat van instandhouding
De soort is pas in 2024 als aparte soort erkend en daarom nog niet op de Rode Lijst geëvalueerd (NE). Voor Noord-Amerika is het aantal geschat op ongeveer zesenzestigduizend vogels — grofweg zesentwintigduizend in het westen en veertigduizend in het oosten — en de tellingen wijzen op achteruitgang. De knelpunten liggen op de trekpleisters: verlies en verstoring van de grote estuaria waar de vogels zich volvreten, kustbebouwing, en op enkele Caraïbische en Zuid-Amerikaanse overwinteringsplaatsen nog altijd de jacht.
Wetenschappelijke naam
Numenius hudsonicus | Latham, 1790
Latham beschreef de soort in 1790 als Numenius hudsonicus, en omdat ze sindsdien in datzelfde geslacht is gebleven staan auteur en jaartal zonder haakjes. De beschrijving verscheen in het tweede deel van zijn Index ornithologicus, naar een vogel van de Hudsonbaai; daar verwijst ook de soortnaam naar. Het geslacht Numenius werd in 1760 ingevoerd door Brisson en gaat terug op Grieks noumenios, 'van de nieuwe maan', naar de sikkelvorm van de snavel. Vrijwel de hele twintigste eeuw gold de vogel als ondersoort van de Euraziatische regenwulp; in 2024 kreeg hij zijn oude soortstatus terug.




