Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Regenwulp
Regenwulp | Numenius phaeopus
Eurasian Whimbrel | Zarapito trinador
De regenwulp is sinds 2024 niet meer dezelfde vogel als de wulp met de gestreepte kruin die in Noord-Amerika broedt: die heet nu Amerikaanse regenwulp, en de regenwulp zelf is een Euraziatische soort die hier alleen als dwaalgast wordt vastgesteld. In het voorjaar verschijnt hij op de buitenste eilanden van Alaska, in de nazomer een enkele keer langs de Atlantische kust. Wie hem wil aanwijzen moet wachten tot hij opvliegt, want het verschil zit vooral op de rug.
Geluid
De roep is een snel, rollend fluitje van zes of zeven gelijke tonen, ti-ti-ti-ti-ti-ti-ti, vlak van toon en in één adem afgeraffeld; het is het geluid waaraan een overtrekkende vogel wordt opgemerkt nog voor hij te zien is. Boven het broedgebied, dat buiten dit werelddeel ligt, rekt hij datzelfde motief tot een lange klimmende triller die vanuit een trage baltsvlucht neerdaalt. Bij onraad klinkt een kort, hard kwip, vaak twee- of driemaal herhaald. Op geluid is hij niet van de Amerikaanse regenwulp te scheiden: de roep van beide is dezelfde, en wie op de kust een roepende vogel hoort heeft daarmee nog niets bewezen.
Opname: Paul Kelly — CC BY-NC-SA 4.0 · Rosslare Harbour, Wexford, County Wexford, Ireland · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote, grijsbruine wulp met een naar verhouding korte, gelijkmatig omlaag gebogen snavel die ongeveer twee keer de koplengte meet. Op de kop staat het kenmerk van de groep: twee donkere banen over de kruin met een lichte streep ertussen, en een lichte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit; het vrouwtje is iets groter en heeft een langere snavel, en jonge vogels zijn van boven netter getekend, met warme roomkleurige stippen op de dekveren. Het verschil dat telt zit op de rug: bij de vogels uit Noordwest-Europa en West-Siberië loopt een witte wig van de stuit tot ver op de rug omhoog, en de ondervleugel is grotendeels wit. De vogels uit Noordoost-Siberië, de vorm die Alaska bereikt, hebben die rug en die ondervleugel dicht bruin gebandeerd en zien er in de vlucht veel donkerder uit.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse regenwulp (Numenius hudsonicus), tot 2024 met deze soort samengevoegd, is in zit vrijwel gelijk en verschilt alleen in de vlucht: zijn rug is even bruin als de rest van de vogel en zijn ondervleugel is dicht gebandeerd. De Amerikaanse wulp (N. americanus) is veel groter, warm kaneelkleurig, heeft een veel langere snavel en mist de banen op de kruin. De zuidzeewulp (N. tahitiensis) van West-Alaska heeft een effen roomgele stuit en staart en lange, stijve veerschachten op de flanken, van dichtbij als haren te zien. Bij twijfel geldt: eerst de kruin bekijken om de groep vast te stellen, dan wachten op de vlucht om de soort vast te stellen.
Leefgebied
In Noord-Amerika is hij een vogel van de kust: slikplaten die bij eb droogvallen, kwelders, riviermondingen en de zandstranden en rotsige randen daarnaast. Hij loopt daar tussen de andere steltlopers en zoekt met de gebogen snavel naar krabben, die hij vaak eerst uit elkaar schudt voor hij ze doorslikt. Op de eilanden van West-Alaska staat hij ook op korte toendravegetatie en langs de kreken vlak achter de kust. Open water en het diepe binnenland gebruikt hij niet; hij blijft bij de rand waar zoet en zout elkaar raken. Zijn broedgebied, dat buiten dit werelddeel ligt, bestaat uit vochtige heide en toendra met dwergstruweel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van IJsland en Noord-Europa oostwaarts door Siberië tot aan de Beringzee, en overwintert langs de kusten van Afrika, Zuid-Azië en Australië. In Noord-Amerika is hij dwaalgast. In het voorjaar verschijnen vogels uit Noordoost-Siberië op de westelijke en middelste Aleoeten en op de eilanden in de Beringzee, en zelden verder langs de Pacifische kust. Aan de Atlantische kust gaat het om vogels uit Noordwest-Europa, meestal in de nazomer en de herfst, van Newfoundland en Nova Scotia zuidwaarts. Omdat de soort pas in 2024 van de Amerikaanse regenwulp is gescheiden, zijn oudere waarnemingen zonder beschrijving van de rug niet meer toe te wijzen en staat het aantal gevallen nog niet vast.
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in een groep regenwulpen op de kust en laat je niet ophouden door de zittende vogels: ga staan waar je ze straks van achteren ziet wegvliegen. Op het moment dat de vleugels opengaan is de zaak beslist — een witte wig op de rug en een lichte ondervleugel horen bij deze soort, een egaal bruine rug bij de Amerikaanse regenwulp. In West-Alaska is eind mei de beste tijd, aan de Atlantische kust augustus en september. Maak zo mogelijk een foto van de opvliegende vogel; zonder dat beeld wordt een melding zelden aanvaard.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst classificeert de soort, ook na de recente taxonomische afsplitsing, als niet bedreigd (LC). Als geheel gaat het de vogel niet slecht, maar de IJslandse broedvogels, ongeveer een derde van de wereldpopulatie, nemen in vrijwel het hele land af, waarschijnlijk door ontginning en bebouwing van het broedgebied. Voor Noord-Amerika verandert dat weinig aan het beeld op de kaart: het gaat hier om enkele vogels per jaar.
Wetenschappelijke naam
Numenius phaeopus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Phaeopus, bij de snippen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Numenius werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is gevormd uit het Griekse neos 'nieuw' en mene 'maan': de omlaag gebogen snavel heeft de vorm van een jonge maan. phaeopus is samengesteld uit phaios 'grauw' en pous 'voet', naar de donkere poten. Linnaeus gaf als herkomst Europa; de typelocatie is later tot Zweden beperkt.




