Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse wulp
Amerikaanse wulp | Numenius americanus
Long-billed Curlew | Zarapito Americano
De Amerikaanse wulp is de grootste steltloper van het werelddeel: een kaneelkleurige vogel op lange poten, met een dunne snavel die bij oude vrouwtjes ruim twintig centimeter lang wordt en in een gelijkmatige boog omlaag krult. Hij broedt niet aan zee maar op de korte grasprairie van het westen, en overwintert op de slikken, zoutpannen en akkers van Californië, de Golfkust en Mexico. In de negentiende eeuw broedde hij nog tot in Illinois en Michigan; vóór 1900 was hij daar verdwenen.
Geluid
De naam van de vogel zit in zijn roep: een helder, klimmend koer-lie dat over de prairie ver draagt en meestal het eerste teken van zijn aanwezigheid is. Daarnaast klinkt een snelle reeks korte, harde tonen, wit-wit-wit-wit, waarmee hij een indringer bij het nest tegemoet vliegt. Boven het broedterrein voert het mannetje een baltsvlucht uit van klimmen en zweven, met een lang aangehouden, klagend fluitconcert dat in golven op en neer gaat. In de winter op de slikken is hij veel stiller; daar hoor je hooguit een enkel koer-lie als een groep opvliegt.
Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · Tijuana Slough NWR, trail from south end of 5th street, Imperial Beach, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote steltloper met een klein rond kopje, een lange hals en een zware, langgerekte romp op grijsblauwe poten. De snavel is het kenmerk: dun, gelijkmatig omlaag gebogen, roze aan de basis van de ondersnavel, bij het mannetje ongeveer dertien centimeter en bij een oud vrouwtje tot ruim twintig. Het verenkleed is van boven bruin gevlekt en gebandeerd, met een warme kaneelkleurige waas over het geheel en een effen kaneelkleurige buik zonder strepen. De kop is licht en fijn gestreept en mist de donkere kruinbanen die de regenwulpen wel dragen. In de vlucht valt de sterk kaneelkleurige boven- én ondervleugel meteen op; jonge vogels hebben een duidelijk kortere snavel dan hun ouders en worden daardoor in hun eerste najaar vaak voor een regenwulp aangezien.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse regenwulp (Numenius hudsonicus) is een derde kleiner, koeler grijsbruin, heeft een veel kortere snavel en draagt twee donkere banen over de kruin met een lichte streep ertussen. De marmergrutto (Limosa fedoa) is eveneens kaneelkleurig en heeft ook kaneelkleurige ondervleugels, maar haar snavel is recht of licht opgewipt en tweekleurig, en ze is een stuk kleiner. De zuidzeewulp (N. tahitiensis), in Alaska en op de trek langs de Pacifische kust, heeft een effen roomgele stuit en staart. De verschillen zijn het kleinst bij een jonge Amerikaanse wulp met een halflange snavel: kijk dan naar de kruin, die bij deze soort effen licht is, en naar de buik, die effen kaneel is.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Broedt op korte, open grasprairie en op sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland)-steppe, bij voorkeur op vlak, kort begraasd land met hier en daar een vochtige laagte; hoog en dicht gras mijdt hij, omdat hij over de begroeiing heen moet kunnen kijken. Beweid grasland en braakliggende akkers gebruikt hij even goed als natuurlijke prairie, zolang de vegetatie kort blijft. In de winter verschuift hij naar de kust: slikplaten, kwelders, zoutpannen en riviermondingen, en in Californië en Mexico ook naar geïrrigeerde akkers, rijstvelden en weiland ver van zee. Beboste streken en dicht struweel gebruikt hij in geen enkel jaargetijde.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in het westen van het werelddeel, van Zuid-Brits-Columbia, Alberta en Zuidwest-Saskatchewan zuidwaarts door het Grote Bekken en de noordelijke prairies tot Noordoost-Californië, Noord-New Mexico en de panhandle van Texas en Oklahoma. Overwintert langs de kust en in de Central Valley van Californië, langs de Golfkust van Texas tot Florida, en in groten getale in Mexico: aan beide kusten en op de graslanden van het Chihuahuahoogland. Een klein deel gaat verder zuidwaarts, tot in Midden-Amerika en Panama; die landen liggen buiten het gidsgebied. In de negentiende eeuw broedde hij veel verder naar het oosten, tot in Wisconsin, Illinois en Michigan, maar door de jacht en het omploegen van de prairie was hij daar vóór 1900 al verdwenen. Sinds de jaren zestig zijn de tellingen ongeveer gelijk gebleven.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in mei of juni over een grindweg door kort begraasde prairie in Montana, Idaho of Zuidoost-Oregon en stop bij het eerste klimmende koer-lie: broedvogels komen op een auto af en cirkelen roepend boven de weg. In de winter is laag water op de slikken van de Golfkust of in de baaien van Californië het beste moment, want dan lopen de vogels ver van de dijk af en steken ze met hun formaat boven alle andere steltlopers uit. Let bij elke vogel op de snavellengte: in één groep staan mannetjes, vrouwtjes en jonge vogels naast elkaar, en dat verschil is met het blote oog te zien.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer 140.000 vogels geschat, en de tellingen laten tussen 1966 en 2015 geen duidelijke daling zien. Het verlies ligt verder terug: het oostelijke deel van het broedgebied is vóór 1900 opgegeven, en van de graslanden van de Canadese prairieprovincies is ruim driekwart omgezet in akkerland. In Californië is negentig procent verdwenen van de natte gebieden waar hij overwinterde. De soort staat op geen enkele aandachtslijst, maar hangt volledig af van grasland dat kort en open blijft; omzetting naar akkerbouw en verdroging zijn de bedreigingen die tellen.
Wetenschappelijke naam
Numenius americanus | Bechstein, 1812
Bechstein beschreef de soort in 1812 en plaatste haar meteen in Numenius, het geslacht dat Brisson in 1760 had ingevoerd; omdat ze sindsdien niet is verhuisd, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De geslachtsnaam is gevormd uit het Griekse neos 'nieuw' en mene 'maan', naar de sikkelvorm van de snavel. americanus betekent eenvoudig 'Amerikaans'. De beschrijving verscheen in Bechsteins Duitse bewerking van Lathams overzicht van de vogels; als typelocatie staat New York vermeld.




