Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Amerikaanse roodmus

Amerikaanse roodmus | Haemorhous purpureus

Purple Finch | Camachuelo purpúreo

De Amerikaanse roodmus is de vink van het naaldbos van Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten, die in wisselende aantallen naar het zuiden komt overwinteren. Langs de westkust leeft een aparte, grotendeels standvaste ondersoort. Het mannetje is framboosrood tot in de rug en de flanken, zonder de bruine streping van de Mexicaanse roodmus.

Amerikaanse roodmus (Haemorhous purpureus)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een doorlopend, snel gekwetter van twee tot drie seconden, zonder de krassende ondertoon en het hese slot van de Mexicaanse roodmus, en vaak met korte imitaties erin. De vluchtroep is een scherp, droog pik of tik, een enkele harde tik die verschilt van het opgewekte tsjiep van de Mexicaanse roodmus; in de vlucht is dat vaak het eerste wat je hoort. Daarnaast een zacht wiet in de zittende groep.

Luister: ZangXC1152019

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Ice House Aspen Grove, El Dorado County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen vink met een grote, kegelvormige snavel met vrijwel rechte snijranden, een korte, duidelijk ingesneden staart en een enigszins driehoekig kopprofiel. Het mannetje is over kop, borst, rug en stuit framboosrood tot wijnrood gewassen, met een witte buik; de rode kleur loopt over in het bruin van de bovendelen in plaats van erop te liggen. Het vrouwtje en de jonge vogels zijn wit met grove, scherp afgetekende donkerbruine strepen op borst en flanken, en hebben een duidelijke koptekening: een brede witte wenkbrauwstreep, een donkere wangvlek en een donkere streep langs de zijkant van de keel.

Verwarrings­soorten

De Mexicaanse roodmus heeft een korte, gebogen bovensnavel, een egaal gestreepte bruine rug en flanken bij het mannetje, en een vrouwtje zonder koptekening — de scherpe wenkbrauwstreep en kaakstreep zijn hier het snelste kenmerk. Cassins roodmus, waarmee hij in het westen samen voorkomt, heeft een langere snavel, een puntiger kruin met scherp begrensd rood, fijnere en smallere streping en gestreepte onderstaartdekveren, terwijl die van de Amerikaanse roodmus effen wit zijn. De sijs is veel kleiner en heeft een dunne, spitse snavel en gele vleugelvelden.

Leefgebied

Broedt in naaldbos en gemengd bos van sparren, dennen en hemlock, vaak langs open plekken, bosranden en beekdalen, en aan de westkust ook in gemengd eiken- en douglasbos en in laaglandbos langs de kust. Buiten de broedtijd in loofbos, houtwallen, ruigten met zaaddragende kruiden, boomgaarden en tuinen met voedertafels. Hij foerageert vaak hoog in de kruinen, aan knoppen en zaadkegels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De oostelijke ondersoort broedt van Newfoundland en de Maritieme Provincies door het zuiden van Quebec, Ontario en de prairieprovincies tot Brits-Columbia, en zuidwaarts in de Verenigde Staten tot de Grote Meren en New England, met uitlopers in de Appalachen. Hij overwintert in het oosten en zuidoosten van de Verenigde Staten, in sommige winters tot in Texas en Florida. De omvang van die trek verschilt sterk per jaar en hangt samen met de zaadoogst van naaldbomen. De westelijke ondersoort californicus blijft het hele jaar langs de Pacifische kust van Brits-Columbia tot Zuid-Californië.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Bij een voedertafel in het oosten in november en december is de kans het grootst, en dan loont het om op de kop van de gestreepte vogels te letten in plaats van op de rode mannetjes: de brede witte wenkbrauwstreep en de donkere kaakstreep zijn onder alle lichtomstandigheden te zien. De scherpe pik-roep in de vlucht scheidt hem al voordat je het verenkleed ziet.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC), maar het aantal daalt in het oosten al enkele decennia gestaag. De uitbreiding van de Mexicaanse roodmus na 1940 valt samen met die afname: op gedeelde plaatsen wint de Mexicaanse roodmus vrijwel altijd de directe confrontatie om een voedertafel. Daarnaast spelen kap van naaldbos en aantasting van hemlock door de wolluis Adelges tsugae een rol. De soort is sinds 1957 de staatsvogel van New Hampshire.

Wetenschappelijke naam

Haemorhous purpureus | (Gmelin, 1789)

Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fringilla purpurea, naar een exemplaar uit Carolina; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Haemorhous werd in 1837 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse haima 'bloed' en orrhos 'stuit'. De soortnaam purpureus is Latijn voor 'purper', wat in het klassieke gebruik een dieprode tot roodpaarse kleur aanduidde en niet het huidige paars; de Engelse en Spaanse namen gaan op dat woord terug.