Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Australische grote pijlstormvogel

Australische grote pijlstormvogel | Ardenna carneipes

Flesh-footed Shearwater | Pardela paticlara

De Australische grote pijlstormvogel is een zware, geheel donkere pijlstormvogel met lichte poten, die in de nazomer en herfst in kleine aantallen voor de Californische kust verschijnt. Hij broedt op eilanden bij Australië, Nieuw-Zeeland en in de Indische Oceaan, duizenden kilometers buiten dit gidsgebied, en is hier uitsluitend als niet-broedende zwerver te zien.

Australische grote pijlstormvogel (Ardenna carneipes)
Foto: Duncan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee, waar deze soort zich binnen dit gidsgebied uitsluitend ophoudt, is hij vrijwel geheel stil. Op de broedkolonie, ver buiten het gidsgebied, maakt hij 's nachts een reeks jankende en kreunende geluiden vanuit het broedhol, maar daarvan is voor de kust van Noord-Amerika niets te horen.

Luister: RoepXC794888

Opname: Barry Edmonston — CC BY-NC-SA 4.0 · Taiharuru, Northland, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Een grote, zware pijlstormvogel, geheel donkerbruin tot zwart, met een lichte, vleeskleurige tot roze snavel met een zwarte punt en lichte, vleeskleurige poten en voeten. De vleugels zijn lang en relatief breed, de staart is lang en spits, en de vlucht is zwaarder en met stijvere vleugelslagen dan bij de meeste andere pijlstormvogels voor de Amerikaanse westkust. Er is geen apart juveniel kleed: jonge vogels lijken op de volwassen vogel.

Verwarrings­soorten

De grauwe pijlstormvogel is even donker maar heeft donkere poten en een donkere snavel, en toont in de vlucht een zilverachtige glans onder de vleugel die deze soort mist. De Chileense grote pijlstormvogel, zijn naaste verwant, heeft een lichte buik; verwarring treedt vooral op met donkere jonge Chileense grote pijlstormvogels, die echter altijd wat lichter op de onderdelen blijven. De vleeskleurige poten zijn in elk kleed het beste kenmerk.

Leefgebied

Binnen dit gidsgebied is deze soort uitsluitend op open zee te zien, meestal boven de rand van het continentaal plat en verder de oceaan op, nooit dicht onder de kust of aan land. Hij grijpt inktvis, vis en kreeftachtigen van het wateroppervlak of duikt er kort naar, en volgt geregeld garnalentrawlers en andere vissersschepen. Broedkolonies liggen op begroeide, vaak beboste eilanden, ver buiten dit gidsgebied.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De soort broedt op eilanden bij Zuidwest- en Zuid-Australië, Lord Howe-eiland, Noord-Nieuw-Zeeland en Saint-Paul in de zuidelijke Indische Oceaan. Niet-broedende vogels trekken in de noordelijke zomer en herfst naar de Grote Oceaan, waar kleine, jaarlijks terugkerende aantallen voor de kust van Californië worden gezien; noordelijker, voor Oregon, Washington en in de Golf van Alaska, is de soort veel schaarser en onregelmatiger.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op een pelagische boottocht vanuit Monterey Bay of Californische havens verderop tussen augustus en november, tussen groepen van de veel talrijkere grauwe en Chileense grote pijlstormvogels; de vleeskleurige poten en de lichte snavel met zwarte punt vallen dan het eerst op.

Staat van instandhouding

De soort geldt als gevoelig (NT), met een wereldwijd afnemende trend door bijvangst in de langelijnvisserij, verstoring en predatie door ingevoerde dieren op de broedeilanden, en het doorslikken van plastic, dat via opgehoopte zware metalen ook de conditie van de vogels aantast.

Wetenschappelijke naam

Ardenna carneipes | (Gould, 1844)

De Britse ornitholoog John Gould beschreef de soort in 1844 als Puffinus carneipes; ze is sindsdien in het geslacht Ardenna geplaatst, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. De soortaanduiding carneipes is gevormd uit het Latijnse caro, carnis ('vlees') en pes ('voet'), naar de vleeskleurige poten. Het geslacht Ardenna werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach, die de naam ontleende aan Artenna, een term die de Italiaanse natuuronderzoeker Aldrovandi in 1603 voor een zeevogel gebruikte. De typelocatie ligt op kleine eilanden voor Cape Leeuwin, West-Australië.