Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Bleke gors

Bleke gors | Spizella pallida

Clay-colored Sparrow | Chimbito pálido

De bleke gors is een kleine, bleek zandbruine gors van de struwelen van de noordelijke prairie, met een fijn gestreepte kruin, een lichte middenkruinstreep en een grijze nekband. Hij broedt vooral in Centraal-Canada en overwintert bijna geheel in Mexico.

Bleke gors (Spizella pallida)
Foto: Cephas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is geen triller maar een reeks van twee tot vijf lage, insectachtige buzzes, meestal met gelijke tussenpozen: bzzzz bzzzz bzzzz. Het geluid is zo droog dat het eerder aan een sprinkhaan doet denken dan aan een vogel, en draagt over open struweel maar matig ver. Hij zingt vanaf een lage struiktop, de hele dag door en soms ook in het donker. De roep is een kort, zacht tsip.

Luister: ZangXC1014344

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · La Haute-Côte-Nord (near Tadoussac), Côte-Nord, Québec, Canada · xeno-canto

Herkenning

De bovendelen zijn bleek zandbruin met donkere streping; de kruin is fijn gestreept en heeft een lichte middenstreep. Het gezicht toont een brede beige wenkbrauwstreep, een scherp omlijnde bruine oorvlek, een bleke baardstreep en een lichte vlek vóór het oog. Kenmerkend in alle kleden is de effen grijze nekband, die contrasteert met de gestreepte rug. De onderdelen zijn ongestreept beige tot wit, de stuit bruin, de snavel bleek met een donkere punt. In het najaar zijn de beige tinten warmer.

Verwarrings­soorten

De musgors is de belangrijkste verwarringssoort: bij hem loopt de zwarte oogstreep dóór tot vóór het oog, is de stuit grijs en ontbreekt de lichte middenkruinstreep. De brewers-gors is grijzer en valer, heeft een fijner gestreepte kruin zónder duidelijke middenstreep en een onopvallender gezichtstekening, met een witte oogring. Bij twijfel zijn de grijze nekband, de scherp omlijnde bruine oorvlek en de bleke vlek vóór het oog de bruikbaarste kenmerken; de zoemende zang is in de broedtijd meteen beslissend.

Leefgebied

Laag struweel in open terrein: struikopslag in prairie en aspenparkland, verruigde akkerranden, dichte hagen, jonge opslag na brand of houtkap en de randen van moerassen. In het oosten van het areaal broedt hij ook in kerstboomkwekerijen en op grasland met verspreide jonge coniferen. In de winter zit hij in woestijngrasland, doornstruweel, akkerranden en struikbegroeide hellingen, doorgaans in groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het zwaartepunt van het broedgebied ligt in Centraal-Canada: ongeveer 85 procent broedt in Alberta, Saskatchewan en Manitoba, daarnaast in Noordoost-Brits-Columbia, het zuiden van de Northwest Territories en West-Ontario, en in de Verenigde Staten in Montana, de Dakota's, Wyoming, Minnesota, Wisconsin en het noorden van Michigan. Naar het oosten breidt hij zich uit in gekapt bos en verlaten landbouwgrond. Ongeveer 92 procent overwintert in Mexico, op de noordelijke hoogvlakte en in het noordwesten, met kleinere aantallen in Zuid-Texas en tot in Guatemala; de trek verloopt door de Great Plains van Nebraska en Kansas tot Oklahoma, New Mexico en Texas.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in juni langs een struweelrand in de aspenparkland van Saskatchewan of North Dakota en luister naar de reeks buzzes; op zicht vind je hem daarna meestal boven op een lage struik. Op doortrek in de Great Plains zit hij in september tussen musgorzen in dezelfde struik: zoek dan de grijze nek en het ontbreken van de oogstreep vóór het oog.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer 56 miljoen vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd (LC), maar de broedvogeltellingen (Breeding Bird Survey) wijzen sinds 1966 op een afname van ongeveer 51 procent. Omzetting van prairiestruweel in akkerland en intensieve begrazing zijn de belangrijkste oorzaken; tegelijk levert de uitbreiding naar het oosten, in gekapt bos en verlaten landbouwgrond, nieuw broedgebied op. Omdat het overgrote deel in Canada broedt en in Mexico overwintert, hangt de soort van twee landen tegelijk af.

Wetenschappelijke naam

Spizella pallida | (Swainson, 1832)

William Swainson beschreef de soort in 1832 als Emberiza pallida, naar een exemplaar van Carlton House in Saskatchewan; omdat ze later in een ander geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pallida is Latijn voor 'bleek', naar het valen verenkleed, en komt ook terug in de Nederlandse en de Spaanse naam. Het geslacht Spizella is een verkleinvorm van het Griekse spiza 'vink'. De Engelse naam Clay-colored Sparrow noemt dezelfde kleur, die van leem.