Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Zwartkingors
Zwartkingors | Spizella atrogularis
Black-chinned Sparrow | Gorrión barbinegro
De zwartkingors is een slanke, langstaartige gors van droge struikhellingen in het zuidwesten van Noord-Amerika en het Mexicaanse hoogland. Het mannetje is grotendeels effen grijs met een zwarte kin en keel en een roze snavel. In het veld merk je hem meestal eerder op aan de versnellende zang vanaf een struiktop dan aan het verenkleed.
Geluid
De zang bestaat uit een paar heldere, hoge fluittonen die daarna versnellen tot een ratelende triller, ongeveer als een bal die op een stenen vloer uitstuitert. Hij klinkt hoger en mechanischer dan de gelijkvormige zang van de veldgors. De roep is een hoog, zacht tsip, vaak het enige geluid buiten het broedseizoen. Mannetjes zingen van maart tot in juli vanaf een uitstekende twijg op een helling.
Opname: Omar Suárez García — CC BY-NC-SA 4.0 · San Nicolás Tlaminca, Texcoco Municipality, Estado de México, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Kop, hals, borst en buik zijn effen leigrijs; de rug is roodbruin met zwarte strepen en ook de vleugels zijn bruin. De snavel is kort, kegelvormig en helder roze en steekt daardoor af tegen het grijs. De staart is lang voor het formaat en aan het eind licht ingesneden. Het mannetje heeft in broedkleed een zwarte kin, keel en voorhoofd; vrouwtjes en mannetjes buiten de broedtijd missen dat zwart en zijn dan effen grijskoppig.
Verwarringssoorten
De zwartkeelgors heeft ook een zwarte keel, maar daarboven een witte wenkbrauwstreep en een witte kaakstreep, een grijze in plaats van gestreepte rug en een korte staart met witte hoeken. De grijze junco is even effen grijs, maar heeft een witte buik met een scherpe grens tegen de grijze borst, witte buitenste staartpennen die bij het opvliegen flitsen, en een bleekhoornkleurige snavel. De veldgors heeft een roestbruine kruin en een witte oogring in een egaal bleek gezicht, zonder grijze hals.
Leefgebied
Droge, stenige hellingen met dicht struikgewas: chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat) met ceanothus en manzanita, sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland) en rabbitbrush (een droge westelijke steppestruik), en de overgang naar pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbes. In de Verenigde Staten van vrijwel zeeniveau tot omstreeks 2400 meter, in Mexico vooral in de bergketens en op de hoogvlakte. Buiten de broedtijd zakt hij af naar lager gelegen woestijnstruweel. Gesloten bos en bebouwd terrein worden gemeden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Centraal- en Zuid-Californië over Zuid-Nevada en Zuid-Utah naar Arizona, New Mexico en West-Texas. De noordelijke broedvogels trekken in het najaar naar Zuid-Arizona, Zuidwest-New Mexico en Noord-Mexico. In het Mexicaanse hoogland, van Sonora en Chihuahua tot Oaxaca ten noorden van de Landengte van Tehuantepec, is de soort het hele jaar aanwezig.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans is tussen half april en juni, vroeg op de ochtend, op een struikhelling in bijvoorbeeld de bergen van Zuid-Californië of de Chiricahua Mountains. Loop een hellingpad en blijf staan bij de eerste versnellende triller; de zingende vogel zit dan meestal op de hoogste twijg in de omgeving. Buiten die periode blijft hij laag in het struweel en laat hij alleen een dun tsip horen.
Staat van instandhouding
De IUCN houdt de soort op niet bedreigd (LC), met een geschatte populatie tussen 450.000 en 1.100.000 vogels. De Amerikaanse tellingen laten sinds 1967 een afname van ongeveer 74 procent zien; daarmee is hij een kantelpuntsoort met geel alarm (State of the Birds-rapport van 2025, het tweejaarlijkse Noord-Amerikaanse statusrapport) en staat hij op de lijst van Birds of Conservation Concern (de federale lijst van zorgsoorten) van de US Fish and Wildlife Service (de Amerikaanse dienst voor vis en wild). Zware begrazing van chaparral en een veranderd brandregime spelen daarbij een rol; na het weghalen van vee is plaatselijk herstel vastgesteld.
Wetenschappelijke naam
Spizella atrogularis | (Cabanis, 1851)
Cabanis beschreef de soort in 1851 als Spinites atrogularis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spizella is een verkleiningsvorm van het Griekse spiza, 'vink'. De soortnaam atrogularis komt van het Latijnse ater 'zwart' en gula 'keel' en beschrijft dus het zwarte keelveld van het mannetje, net als de Nederlandse en Engelse naam. Het beschreven exemplaar kwam uit Mexico.





