Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Blonde ruiter

Blonde ruiter | Calidris subruficollis

Buff-breasted Sandpiper | Correlimos canelo

De blonde ruiter is de strandloper die het water heeft verlaten: hij loopt over kortgemaaid gras, zodevelden en stoppelakkers en pikt insecten van de grond, zoals een plevier dat doet. Alles aan hem is okergeel, met een groot donker oog in een tekeningloos gezicht en heldere gele poten. Van de honderdduizenden die er in de negentiende eeuw waren, zijn er nog zo'n zesenvijftigduizend over.

Blonde ruiter (Calidris subruficollis)
Foto: Tim Lenz — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het is een stille vogel: op trek hoor je hooguit een lage triller of een kort, zacht tsjoep als een groepje opvliegt. Op de baltsplaats maakt het mannetje een nauwelijks hoorbaar tikkend geluid terwijl hij één vleugel of beide vleugels opent. Daarbij hoort een zoemend geruis dat waarschijnlijk met de vleugelveren wordt gemaakt, en een snel stampen met de poten. Wie hem op een zodeveld in Kansas of Texas ziet staan, zal hem doorgaans helemaal niet horen.

Luister: VluchtroepXC1179766

Opname: Paul Kelly — CC BY-NC-SA 4.0 · Tacumshin Lake (East End), County Wexford, Ireland · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote, slanke steltloper met een rond kopje, een vrij lange hals, een kort donker snaveltje ter lengte van de kop en lange gele poten. Het hele verenkleed is warm okergeel, van gezicht en hals tot de onderstaartdekveren, met fijne zwarte streepjes op de kruin en donkere veercentra op rug en vleugel die een net geschubd patroon geven. Het grote donkere oog valt op in een verder tekeningloos gezicht en geeft de vogel een zachte, verbaasde uitdrukking. In de vlucht flitst de witte ondervleugel op, met een donkere vlek op de pols. Man en vrouw zijn gelijk gekleurd, maar het mannetje is duidelijk groter; jonge vogels zijn geschubder en fijner gestippeld op de borst.

Verwarrings­soorten

Een jonge kemphaan (Calidris pugnax) lijkt het meest op deze soort: die is groter, langer van poot en snavel, grover geschubd en toont in de vlucht witte ovalen naast de staart. De Bartrams ruiter (Bartramia longicauda) leeft in hetzelfde korte gras maar is veel groter, met een lange staart, een klein kopje op een lange hals en een geel oog. De gestreepte strandloper (C. melanotos) heeft een scherp afgezette gestreepte borst en zoekt nattere plekken op. Helpt het kleed niet, dan doet het gedrag dat wel: de blonde ruiter loopt in korte spurtjes en stopt rechtop, zoals een plevier.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Op trek is dit geen watervogel: hij zoekt kort en droog gras — zodevelden, beweide prairie, geploegde en pas ingezaaide akkers, de bermen van vliegvelden en de randen van beregende akkers. Water heeft hij nauwelijks nodig, en ondergelopen of hoog opgaand grasland mijdt hij juist. Het broedgebied is de droge, goed doorlatende hoogarctische toendra, met ruggen en oeverwallen waar de mannetjes hun baltsplaatsen aanleggen. In het winterkwartier komt hij op kortgegraasde pampa's terecht — dezelfde korte grasmat, tienduizend kilometer verderop.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt in de hoogarctische toendra van Wrangeleiland en de North Slope van Alaska oostwaarts door de Northwest Territories en Nunavut tot op de arctische eilanden; ongeveer driekwart van de populatie broedt in Canada. In het voorjaar trekt vrijwel de hele populatie door het binnenland: over de Texaanse kustvlakte, de Flint Hills van Kansas en de graslanden van Saskatchewan. In het najaar is de route breder, met jonge vogels aan de Atlantische en in kleiner aantal aan de Pacifische kust, en met een doortocht over Midden-Amerika. Overwinterd wordt op de pampa's van Argentinië, Uruguay en Zuid-Brazilië, ver buiten het gidsgebied.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in de laatste week van augustus en de eerste helft van september op een zodeveld of een pas gemaaid grasveld — een golfterrein, een vliegveldberm, een beregende akker — en scan met de telescoop wat er tussen de Amerikaanse goudplevieren staat. Blonde ruiters bewegen weinig en verdwijnen tussen de graspollen; loop rustig langs de rand en laat de groep zelf in beweging komen. In het voorjaar is de Texaanse kustvlakte in april de beste kans, en dan staan er soms tientallen bij elkaar.

Staat van instandhouding

De populatie wordt op ongeveer zesenvijftigduizend vogels geschat, met een marge van vijfendertig- tot achtenzeventigduizend. In de negentiende eeuw ging het om honderdduizenden tot miljoenen; de marktjacht bracht de soort rond 1920 aan de rand van de ondergang en het herstel is nooit doorgezet. De omzetting van prairie in akkerland, bestrijdingsmiddelen, windturbines op de trekroute en de opwarming van het broedgebied houden de afname gaande. De IUCN rekent hem tot de kwetsbare soorten (VU).

Wetenschappelijke naam

Calidris subruficollis | (Vieillot, 1819)

Louis Pierre Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa subruficollis; ze heeft daarna lang in een eigen geslacht Tryngites gestaan en is nu bij Calidris ondergebracht, en juist daarom staan auteur en jaartal tussen haakjes. subruficollis betekent 'enigszins roodhalzig', van het Latijnse sub ('bijna') en ruficollis ('roodhalzig') — een naam die de okerkleurige hals maar matig recht doet. De geslachtsnaam Calidris gaat terug op kalidris, het woord dat Aristoteles voor een grijze oevervogel gebruikte. Het beschreven exemplaar kwam niet uit het broedgebied maar uit Paraguay, uit de aantekeningen van Félix de Azara: de soort werd dus in het winterkwartier voor de wetenschap ontdekt.