Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Brewers gors

Brewers gors | Spizella breweri

Brewer's Sparrow | Chimbito desértico

Brewers gors is de gors van de sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland): een klein, bleek en bijna tekeningloos vogeltje dat in het Grote Bekken en op de noordelijke hoogvlakten de talrijkste broedvogel van uitgestrekt bijvoetstruweel is. Het verenkleed geeft weinig houvast, de zang des te meer — een lange, insectachtige aaneenschakeling van trillers. Een tweede vorm, de timberline sparrow, broedt in dwergstruweel hoog in de noordelijke Rocky Mountains.

Brewers gors (Spizella breweri)
Foto: VJAnderson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Er zijn twee zangtypen. Het korte type bestaat uit enkele rollende trillers van een paar seconden en klinkt als een langgerekte versie van de musgors. Het lange type kan een halve minuut of langer doorgaan en rijgt trillers en ratels van steeds wisselende toonhoogte aaneen, zonder duidelijk einde; het wordt vooral vroeg in het seizoen en in de schemering gehoord. De roep is een dun, hoog tsip, vaak vanuit een groepje in de struiken.

Luister: VluchtroepXC1165485

Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto

Herkenning

Het is de bleekste en meest tekeningloze gors van zijn geslacht: grijsbruin van boven met fijne zwarte strepen, effen vuilwit tot beige van onderen zonder borststreping. De kruin is bruin met dichte zwarte streepjes en zonder lichte middenstreep. Het voornaamste kenmerk is een volledige, smalle witte oogring in een verder egaal gezicht met een fijn omlijnde oorstreek. De snavel is klein en vleeskleurig, de staart lang en ingesneden.

Verwarrings­soorten

De bleke gors lijkt er het meest op: die heeft wél een lichte middenstreep over de kruin, een scherper afgetekende bruine wangvlek met donkere rand en een grijze, ongestreepte nek. Brewers gors heeft daarentegen een doorlopend gestreepte kruin en een grijsbruine, fijn gestreepte nek. De musgors is roder van kruin en grijzer van stuit en heeft in broedkleed een zwarte oogstreep. De timberline sparrow, de noordelijke vorm van Brewers gors zelf, is donkerder en grover gestreept en heeft vaker fijne streepjes op de borst.

Leefgebied

Aaneengesloten sagebrush-steppe met struiken van ongeveer een halve tot anderhalve meter en open grond ertussen; grote, niet versnipperde vlakten zijn nodig. Daarnaast bitterbrush en saltbush (twee droge westelijke steppestruiken) en andere droge struwelen en, in het noorden, dwergwilg en dwergberk boven de boomgrens. In de winter woestijnstruweel, doornstruweel en akkerranden in het zuidwesten en op de Mexicaanse hoogvlakte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Zuid-Brits-Columbia, Zuid-Alberta en Zuidwest-Saskatchewan zuidwaarts door Washington, Oregon, Idaho, Montana, Wyoming, Nevada, Utah, Colorado, Oost-Californië en de Dakota's. De noordelijke bergvorm broedt tot in Yukon en de Northwest Territories. Van augustus tot oktober trekken de vogels naar Zuid-Arizona, New Mexico, West-Texas en Noord- en Midden-Mexico, van Neder-Californië en Sonora tot Guanajuato en Noord-Jalisco.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste kans is in mei en juni op een sagebrush-vlakte in het Grote Bekken, rond zonsopgang. Rijd of loop langs de rand van een groot struikveld en wacht: zodra een mannetje het lange zangtype inzet, blijft hij minutenlang op dezelfde struiktop zitten. In het veld zoek je niet naar een tekening maar naar het ontbreken ervan — een bleke gors zonder kopstreping en met een complete witte oogring.

Staat van instandhouding

De IUCN houdt de soort op niet bedreigd (LC); de populatie is groot, maar de Noord-Amerikaanse tellingen laten al decennia een gestage afname zien. De oorzaak is het verlies van aaneengesloten sagebrush door omzetting in akkerland, door begrazing, door de opmars van cheatgrass (ingevoerd eenjarig gras dat de alsemsteppe verdringt) en de daarmee samenhangende branden en door de aanleg van infrastructuur. De soort broedt niet in kleine, versnipperde restanten, zodat oppervlakte en samenhang van het struweel bepalend zijn.

Wetenschappelijke naam

Spizella breweri | Cassin, 1856

Cassin beschreef de soort in 1856 al in het geslacht Spizella, waardoor auteur en jaartal zonder haakjes staan. Het geslacht Spizella is een verkleiningsvorm van het Griekse spiza, 'vink'. De soortnaam breweri eert Thomas Mayo Brewer (1814–1880), arts en eierverzamelaar uit Boston en medeauteur van een standaardwerk over Noord-Amerikaanse vogels. Het type kwam uit de Black Hills.